Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/148

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

het vruchtbeginsel op te eten of om de Insecten te vangen, die zoo dikwijls in bloemen voorkomen.”

*

In Europa zijn de Bladneuzen vertegenwoordigd door de groep der Hoefijzerneuzen. Het neusaanhangsel, dat het geheele gelaat, van het puntje van den snuit tot aan het voorhoofd, bedekt, is zeer zeker het merkwaardigste deel van het geheele dier (zie p. 106), gelijk het oor dit is van de vroeger beschrevene Gladneuzen (pp. 93, 100, 103). De vlieghuid is breed en betrekkelijk kort; zij vliegen daarom niet zeer behendig; ook zijn zij, evenals de Breedvleugelige Gladneuzen (p. 100), minder goed tegen de koude bestand. Als zij slapen gaan, wikkelen zij zich in hun vlieghuid als in een mantel, zoodat alleen het aangezicht onbedekt blijft. De staartvlieghuid wordt dan naar de rugzijde, en niet, zooals bij de andere Vleermuizen, naar de buikzijde omgeslagen. Het oordeksel ontbreekt. Bij nagenoeg alle soorten is de vacht licht van kleur.


Van deze groep zijn vier Europeesche soorten bekend, van welke er twee ook in ons land, en wel in het zuiden van Limburg, gevonden worden. De zeldzaamste van deze twee is de Kleine Hoefijzerneus (Rhinolophus hippocrepis) Hij is 6 cM. lang (waarbij 2½ cM. voor den staart) en heeft 22 cM. vlucht. De vacht is grijsachtig wit, aan de bovenzijde een weinig donkerder dan van onderen. In Middel-Europa komt hij bijna overal voor; ook in Zuid-Europa is hij algemeen. Aan heuvelachtige gewesten en bergstreken geeft hij de voorkeur boven lage landen. In de gebergten stijgt hij op tot boven de met bosch begroeide zone. Bewoonde gebouwen schijnt hij te vermijden. Overal waar rotsholen, oude mijngangen of ruïnes met onderaardsche gewelven zijn, treft men hem veelvuldig aan. Zij rusten daar, tot groote gezelschappen vereenigd, vrij hangend aan het gewelf, zoodat zij door de bezoekers vaak niet opgemerkt worden.

Het voedsel van de Hoefijzerneuzen bestaat hoofdzakelijk uit Insecten, die een niet zeer hard uitwendig geraamte hebben, vooral kleine Nachtvlinders, Vliegen enz. Zij zijn echter ook echte bloedzuigers, zooals duidelijk blijkt uit waarnemingen, die door Kolenati gedaan zijn. Deze onderzoeker vond ’s winters in een kalksteengrot in Moravië 45 stuks slapende Vleermuizen, grootendeels Grootooren (p. 74) en Kleine Hoefijzerneuzen; hij nam ze mede naar Brünn en liet ze alle te zamen vrij rondvliegen in een groote kamer, waarin zijn verzameling naturaliën was geborgen; daar zochten zij zich een rustplaats. Toen onze natuuronderzoeker eenige dagen later de Vleermuizen aan een zijner vrienden wilde toonen, vond hij tot zijn niet geringe verwondering zes Hoefijzerneuzen op de klauwen en vlieghuidspitsen na opgevreten, terwijl van een ander dezer dieren de kop op de vreeselijkste wijze verminkt was. De talrijke sporen van bloed, de bloedige snuit en de gezwollen buik van de Grootooren alsook de vele drekhoopjes deden de verdenking vallen op de nog voltallige Gladneuzen; het onderzoek van de maag van een dezer dieren, dat gedood werd, bevestigde de juistheid van dit vermoeden. Daarentegen bemerkte men op de vlieghuid van de Grootooren dicht bij het lichaam versche wonden met sponsachtig gezwollen randen; ook hadden deze dieren zich tot een kluit vereenigd, bij wijze van dakpannen over elkander heen; de Hoefijzerneuzen daarentegen sliepen altijd ieder afzonderlijk en hadden de verborgenste schuilhoeken als slaapplaatsen gekozen. De gevolgtrekkingen die hieruit afgeleid werden, luiden als volgt: De beide elkander vijandig gezinde Vleermuis-soorten hadden gedurende den nacht strijd gevoerd. Toen de Grootooren hun nachtslaapje hielden, waren de Hoefijzerneuzen op hen afgekomen, hadden hen gewond en haar bloed gezogen; voor deze schanddaad waren zij echter gestraft door de Grootooren, die gedurende hun tweeden fladdertijd de onruststokers eenvoudig opgevreten hadden!

Een duivenliefhebber verhaalde aan Kolenati, dat de Duiven dikwijls gedurende den nacht kleine wonden kregen, waarvan hij de oorzaak niet kende; onze onderzoeker schrijft ze (vermoedelijk te recht) aan de beten van den Hoefijzerneus toe.

In Europa leven dus echte Vampiers; het moet echter gezegd worden, dat deze in den regel hun bloeddorst weten te beheerschen, en dat zij in geen geval ons aanleiding kunnen geven tot vrees of afschuw.

Veelvuldiger dan de Kleine komt in ons land, n.l. in Limburg, de Groote Hoefijzerneus (Rhinolophus ferrum-equinum) voor. Deze is 9 cM. lang (hiervan komen op den staart 3½ cM.) en heeft 33 cM. vlucht. Hij bewoont het grootste deel van Middel- en Zuid-Europa, ook vond men haar in Azië in den Libanon. In de gebergten komt hij des zomers voor tot op een hoogte van 2000 M. Kolenati meent, dat ook hij bloed zuigt. Des