nachts fladderen deze dieren rond in bergkloven (vermoedelijk om Reeën en Gemzen uit te zuigen) en omzwerven de rustplaatsen der Eekhoorntjes. Hoewel hun Vampieraard nog niet duidelijk is gebleken, bestaan er toch redenen om hen te verdenken.

Groote Hoefijzerneus (Rhinolophus ferrum-equinum). 4/5 v.d. ware grootte.
*
Ook in de overige groepen van de Bladneuzen komen eenige merkwaardige diervormen voor.
Zoo bevat de groep der Pronkneuzen (Megaderma) een soort, die niet alleen bloed zuigt, maar, naar gezegd wordt, ook kleine Kikvorschen eet. De tot deze groep behoorende Vleermuizen zijn gekenmerkt door een uit drie afdeelingen samengesteld neusaanhangsel (p. 79), door groote, boven het voorhoofd met elkander vergroeide ooren en een lang oordeksel. Bij den Lierneus (Megaderma lyra) bereikt de huidwoekering aan den neus, die men met een lier vergeleken heeft, haar hoogste ontwikkeling.
*
Een vierde groep bevat de Klapneuzen (Rhinopoma). Bij hen is slechts één afdeeling van het neusaanhangsel aanwezig, n.l. een lancetvormig, overeindstaand blad. De ooren, die eveneens op het voorhoofd vergroeid zijn, hebben een middelmatige lengte, de staart is echter voor Vledermuizen buitengewoon lang. Tot deze groep behoort o.a. de Egyptische Klapneus (Rhinopoma microphyllum), een klein dier, waaraan de zeer lange en dunne staart ontegenzeggelijk het merkwaardigste verschijnsel is. Hij bestaat uit 11 wervels, en strekt zich tot ver voorbij de staartvlieghuid uit. In buitengewoon groot aantal komen deze dieren in Egypte voor, hoofdzakelijk in oude gedenkteekenen, b.v. in de gangen der Pyramiden doch ook wel in holen, die door de natuur gevormd zijn.