Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/151

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Aan de wervels merkt men sterke doornuitsteeksels en lange dwarse uitsteeksels op; de lendewervels vergroeien dikwijls bijna volkomen met elkander; het aantal staartwervels wisselt binnen vrij wijde grenzen af. De ledematen vertoonen, in overeenstemming met het verschil van levenswijze, een groote verscheidenheid van bouw; deze voldoet echter steeds aan alle vereischten voor kracht, vlugheid en gemakkelijkheid van beweging.

De neus verlengt zich bij vele Roofdieren snuitvormig en is dan dikwijls nog met eigenaardige kraakbeenderen voorzien, waardoor hij geschikt wordt voor ’t wroeten in den grond. Tevens zijn dan de ledematen korter en dikker, geschikt om er mede te graven: de bedoelde soorten leiden een onderaardsche levenswijze. Bij andere soorten verlengen de ledematen zich en stellen de dieren in staat om snel te loopen, of verbreeden zich door zwemvliezen en kunnen voor ’t zwemmen dienen. De klauwen zijn bij sommige terugtrekbaar, gedurende het gaan beveiligd tegen afslijting, zoodat zij uitgestoken zijnde, uitmuntende wapens en grijpwerktuigen vormen. Andere soorten hebben stompe, minder beweeglijke klauwen, die daarom alleen voor de beschutting van den voet of voor het woelen en graven in den grond kunnen dienen, en hoogstens ook nog maken, dat het dier zich beter vast kan houden. Het gebit ontleent zijn eigenaardigheid zoowel aan de scherpe hoek- of hondstanden als aan de scheur- of vleeschkiezen; het kan hierdoor uitstekende diensten bewijzen bij het vechten, alsmede bij het vasthouden en verscheuren van den buit. Krachtige spieren en pezen stellen het Roofdier tot een sterke en volhardende inspanning in staat, terwijl de vorm en de aanhechtingswijze uitgebreide en behendige bewegingen toelaat.

Hierbij komen nu nog de uitmuntend ingerichte zintuigen. Bij uitzondering slechts is een van deze weinig of niet bruikbaar; dit gemis wordt dan echter zeer zeker op voldoende wijze door de overige zintuigen vergoed. Men kan geen zintuig aanwijzen, dat bij alle Roofdieren bevoorrecht is boven alle overige; bij sommige is de reuk, bij andere het gezicht, bij enkele het gehoor op bewonderenswaardige wijze ontwikkeld; bij eenige speelt ook de tastzin een belangrijke rol. Twee zinnen zijn in den regel zeer scherp: in de meeste gevallen zijn deze de reuk en het gehoor, minder vaak het gehoor en het gezicht.

De verstandelijke vermogens zijn in overeenstemming met de physieke begaafdheden. Onder de Roofdieren komen bewonderenswaardig verstandige wezens voor; het behoeft ons dus niet te verwonderen, dat zij zich weldra de list en de kunst van veinzen eigen maken, die voor hun roovers- en dievenhandwerk vereischt worden. Hierbij komt nog, dat het bewustzijn van hun kracht hun moed en zelfvertrouwen verschaft, welke, in die mate vereenigd, bij andere dieren nimmer aangetroffen worden. Maar juist uit deze eigenschappen vloeien weer andere voort, die ons niet zeer innemen voor deze overigens zoo prachtige schepsels.

Doordat de Roofdieren gewoon zijn te overwinnen, ontwikkelt zich bij hen, nevens de altijd sterker wordende heerschzucht, weldra wreedheid en dikwijls ten slotte een onbedwingbare moordlust, ja zelfs bloeddorst in den vollen zin van ’t woord; deze hartstochten bezielen hen in die mate, dat menig Roofdier te recht als zinnebeeld er voor gekozen is.

Met de natuurlijke begaafdheden en eigenschappen van lichaam en geest stemmen de woonplaats en de levenswijze overeen. De Roofdieren wonen en heersenen overal: op den bodem, in het water zoo goed als in de kronen der boomen, op de gebergten zoowel als in de vlakten, in het woud niet minder dan op het veld, in noordelijke gewesten evenzeer als in zuidelijke. Men treft onder hen even volkomene nachtdieren als dagdieren aan; sommige gaan in de schemering, andere bij het licht der zon, nog andere in de duisternis van den nacht hun voedsel zoeken.

Vele leven gezellig, andere eenzaam; sommige vallen hun slachtoffer openlijk aan, de meeste echter beloeren en besluipen het, overvallen het onverwachts — hoe sterk zij ook zijn mogen. Alle verbergen zich zoo lang mogelijk, uitsluitend met de bedoeling, om door hun verschijnen niet te vroeg schrik aan te jagen; slechts weinige worden door het bewustzijn van hun zwakheid gedreven om zoo schielijk mogelijk een schuilplaats en toevluchtsoord op te zoeken, zoodra zij iets verdachts bespeuren. Hoe meer zij van het daglicht houden, des te vroolijker, levendiger, opgewekter en gezelliger toonen zij zich; hoe meer zij aan den nacht de voorkeur geven, des te knorriger, wantrouwiger, schuwer en ongezelliger zijn zij.

Alle Roofdieren voeden zich met andere dieren; slechts bij uitzondering gebruiken eenige ook vruchten, zaden en andere plantaardige voortbrengselen. Naar het verschil in voedingswijze onderscheidt men “alleseters” en “vleescheters”; deze namen zijn echter niet volkomen steekhoudend; want de alleseters geven evenzeer de voorkeur aan een flink stuk vleesch als de grootste en wildste Roofdieren. Alle leden van deze orde zijn naar aard en ontwikkeling geboren roovers en moordenaars, onverschillig of zij kleine dan wel groote