zij haar prooi bereikt. De vreeselijke klauwen doorklieven den nek of de zijden van het onverhoeds overvallen dier, dat met den bek aangevat, en eenige malen achtereen hevig gebeten wordt. Vervolgens ontspannen de spieren, die de kaken opeenklemmen, zich een weinig; de roover laat evenwel zijn prooi niet los, houdt haar voordurend in ’t oog, en bijt opnieuw, zoodra hij bij den overwonnene een bewijs van leven opmerkt. Vele Katten laten onder deze bedrijven een geknor of gebrul hooren, dat evenzeer welgevallen als begeerigheid of toorn te kennen geeft; ook bewegen zij de spits van den staart heen en weer. De meeste hebben de afschuwelijke gewoonte, haar slachtoffer lang te martelen: schijnbaar gunnen zij het een weinig vrijheid en laten het zelfs dikwijls een eind ver loopen, om het echter steeds op ’t rechte oogenblik weer te vatten, opnieuw neer te drukken en nogmaals te laten loopen; dit wreede spel wordt voortgezet, totdat het gepijnigde dier aan zijne wonden bezwijkt. Zelfs de grootste soorten vermijden een gevecht met dieren, van welke zij een grooten tegenstand verwachten, en vallen hen alleen dan aan, als de ervaring hun geleerd heeft, dat zij, ondanks de sterkte van haar tegenstander, overwinnaars zullen zijn in den strijd, die op den aanval zou kunnen volgen. Zelfs de Leeuw, de Tijger en de Jagoear zijn aanvankelijk bevreesd voor den mensch, en gaan hem bijna lafhartig uit den weg; zoodra zij evenwel gezien hebben, hoe gemakkelijk hij te overmeesteren is, worden vele van deze Roofdieren zijne vreeselijkste vijanden. Ofschoon bijna alle Katten goed kunnen loopen, laten vele toch de verdere vervolging van een prooi na, wanneer haar de aanvalssprong mislukte. Alleen wanneer zij die zeer veilig achten, verslinden zij de prooi op de plaats zelve, waar de strijd beslecht werd; gewoonlijk sleepen zij het gegrepen dier, dat gedood of althans weerloos gemaakt is, naar een stille, verborgen plaats, waar zij ongestoord en op haar gemak het genot kunnen smaken, dat de bevrediging van den honger teweegbrengt.
In den regel werpen de wijfjes-katten verscheidene jongen, bij uitzondering slechts één. Vermoedelijk wisselt het aantal jongen van 1 tot 6 af; men zegt, dat sommige soorten er meer ter wereld brengen. De moeder verzorgt ze; de vader bekommert er zich slechts bij uitzondering om. Een wijfjeskat met hare jongen levert een zeer aantrekkelijk schouwspel op. De moederlijke teederheid en liefde openbaren zich in elke beweging van de oude, zijn hoorbaar in ieder geluid, dat men van haar verneemt. Er ligt dan een teederheid en zachtheid in hare stem, die men hierin volstrekt niet verwacht zou hebben. Bovendien let de moeder zoo zorgvuldig en opmerkzaam op de jongen, dat men in ’t geheel niet twijfelen kan aan de innigheid van haar liefde. Een zeer aangenamen indruk maakt zulk een kattenfamilie ook door de zindelijkheid, tot welke de moeder hare jongen reeds in hun prille jeugd opwekt. Onophoudelijk is zij bezig met schoonmaken, aflekken, gladstrijken, in orde brengen; zij duldt niet het minste vuil in de nabijheid van het leger. Tegen vijandelijke bezoeken verdedigt zij haar kroost met ware doodsverachting: alle groote soorten worden, wanneer zij jongen hebben, in de hoogste mate gevaarlijk. Bij vele kattensoorten moet de moeder hare kinderen soms ook tegen hun eigen vader beschermen, omdat deze de jongen, zoolang zij nog blind zijn, eenvoudig opvreet, wanneer hij het nest onbewaakt vindt. Dit is vermoedelijk de voornaamste reden voor de zorgvuldigheid, waarmede alle Katten hare jongen zoo goed mogelijk verbergen. Wanneer de jongen wat grooter geworden zijn en zich reeds als echte Katten gedragen, wordt de zaak anders; dan doet ook de kater hun geen kwaad meer. En nu begint voor de kleine, steeds tot allerlei spelen en grappen gezinde dieren een werkelijk vroolijk kinderleven. De natuurlijke aanleg openbaart zich reeds in de eerste bewegingen en aandoeningen, waarvoor de Katten vatbaar zijn. Hare kinderspelen reeds zijn altijd oefeningen, waardoor zij zich voorbereiden om het jagersbedrijf der volwassenen uit te oefenen. Elk zich bewegend voorwerp trekt haar aandacht. Geen gedruisch ontgaat haar, de kleine jagers spitsen de ooren bij het minste geritsel in hun nabijheid. In ’t eerst is de staart van hun moeder een bron van groot vermaak. Elke beweging van dit lichaamsdeel wordt nageoogd, en weldra begint de geheele baldadige bende haar best te doen om door pogingen om den staart te grijpen diens bewegingen te stuiten en te voorkomen. Het oude dier laat zich echter door deze plagerijen in ’t minst niet storen en gaat voort met haar gemoedsstemming te kennen te geven door de beweging van den staart; zij laat zelfs gelaten toe, dat hare jongen dit lichaamsdeel als speelgoed gebruiken. Weinige weken later ziet men het geheele gezin reeds met allerlei drukke spelen bezig, nu gedraagt ook de moeder, de leeuwin zoowel als de wijfjes-huiskat, zich geheel als een kind. Dikwijls is het geheele gezelschap als een kluwen ineengerold; het eene dier tracht den staart van het andere te grijpen. Naarmate de leeftijd toeneemt, worden de spelen voortdurend ernstiger. De jongen leeren inzien, dat de staart eenvoudig een deel van hun eigen lichaam is, en willen liever hunne krachten aan iets anders beproeven. Thans brengt de oude hun kleine, soms halfdoode,