Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/156

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

soms nog springlevende dieren. Deze laat zij los, als zij bij hare jongen is en nu oefent zich het jongere geslacht met ijver en volharding in het roovershandwerk, waardoor het later aan den kost zal komen. Eindelijk neemt de oude de jongen mede op de jacht; daar worden zij doorkneed in alle listen en sluipwegen, in het toonen van zelfbeheersching, in het onverhoeds aanvallen, kortom in de geheele rooverskunst. Eerst als zij geheel zelfstandig zijn geworden, verlaten zij hun moeder of hunne beide ouders en leiden van nu af gedurende geruimen tijd een eenzaam, zwervend leven.

De Katten staan als vijanden tegenover een groot deel van de dierenwereld; daarom is de schade die zij aanrichten, buitengewoon groot. Men moet hierbij echter in ’t oog houden, dat de groote soorten van de familie bijna alle leven in landen, die ongeloofelijk rijk aan dieren zijn; zelfs is er reden om aan te nemen, dat eenige soorten aan een voor ons schadelijke, te sterke vermenigvuldiging van sommige Herkauwers en Knaagdieren paal en perk stellen, en dus indirect ook voor ons nuttig zijn. Bij vele kleine soorten wordt de schade, die zij ons berokkenen, meer dan opgewogen door de diensten, die zij ons bewijzen. Zij maken alleen jacht op kleine Zoogdieren en Vogels; vooral voor de kleine Knaagdieren, die den mensch zoo buitengewoon veel last en schade kunnen aandoen, zijn zij de gevaarlijkste vijanden en voor ons dus de ijverigste bondgenooten. Onze poes is ons geheel onmisbaar geworden, maar ook de in ’t wild levende soorten van kleine Katten vergoeden vaak de door haar aangerichte schade door belangrijke diensten. Bovendien maakt de mensch gebruik van het vel en in sommige landen zelfs van het vleesch der Katten. In China, en ook velerwege in Afrika, dienen de vellen van sommige soorten van Katten als kenteekenen van waardigheid; de overige volken schatten het genoemde artikel meer op grond van de schoone kleuren die het vertoont, dan wegens de innerlijke waarde, want deze is niet bijzonder groot.

De jacht en de vangst van de schadelijke soorten worden overal met grooten ijver uitgeoefend; er zijn menschen, die deze jacht, juist wegens de gevaren die zij oplevert, tot de grootste genoegens dezer wereld rekenen.

De samenvoeging van de verschillende soorten van Katten tot geslachten biedt groote moeielijkheden aan. Wij meenen echter het recht te hebben om de Lossen (Lynx), de Geparden of Jachtluipaarden (Cynailurus) en de Fretkat of Fossa van Madagaskar (Cryptoprocta) van de overige vormen — van de eigenlijke Katten (Felis) — te mogen scheiden als afzonderlijke geslachten. Als type van het laatstgenoemde geslacht kan onze algemeen bekende Huiskat dienen. Van haar en de overige soorten van haar geslacht, welker hoogst ontwikkelde leden aan den eenen kant de Leeuw, aan den anderen de Tijger zijn, onderscheiden de Lossen zich door de kortheid van den staart, de lengte der pooten en het haarkwastje aan de lange ooren, de Geparden door de hoogte der pooten en de geringe terugtrekbaarheid der klauwen; de Fossa is kenbaar aan haar afwijkend gebit, haar onbehaarde zool, en andere eigenaardigheden, die ons dit merkwaardig dier doen kennen als een verren verwant van de Civetkatten, als een “oerkat”, zoo men wil.




In de eerste plaats beschouwen wij de Eigenlijke Katten; de soorten van de Oude Wereld zullen wij gescheiden van die der Nieuwe Wereld behandelen; verder berust de rangschikking, die wij aangenomen hebben, op eigenaardigheden die de kleur van de vacht van het dier aanbiedt, en wel zoo, dat de dwars gestreepte, de gevlekte en de eenkleurige Katten achtereenvolgens aan de beurt zullen komen.

In de groep van de min of meer dwars gestreepte Katten staat de Tijger, die naast den Leeuw het meest ontwikkelde lid van de geheele familie is, bovenaan. De Tijger is een echte Kat zonder manen, met tamelijk lange baardborstels en met zeer duidelijk zichtbare dwarsstrepen op zijn huid. Hij is de vreeselijkste van alle Katten, een Roofdier, waartegen de mensch zelfs machteloos is. Bij geen der Roofdieren gaat de verschrikkelijkheid met zooveel waarlijk verleidelijke schoonheid gepaard, geen van hen kan de oude fabel van de jonge, wijsneuzige Muis, die in de Kat een schoon en beminnenswaardig wezen bewonderde, beter vestigen. Wanneer de gevaarlijkheid als maatstaf voor de belangrijkheid van de Zoogdieren moest gelden, zou men aan den Tijger den eersten rang dienen toe te kennen; want hij heeft zich tegenover den beheerscher der aarde verzet op een wijze, waarvan geen tweede voorbeeld te vinden is. In plaats van verdreven en teruggedrongen te zijn door de bebouwing van den bodem en den steeds verder voortdringenden mensch, is hij gedeeltelijk juist hierdoor meer aangetrokken; zelfs heeft hij den mensch sommige plaatsen doen ontvluchten. Wel verre van, gelijk de Leeuw, uit bevolkte gewesten