Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/161

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

steken, het Roofdier vooruitkomen, en een geschikte standplaats kiezen. Daar kwam hij voor den dag met lange schreden, den staart tusschen de pooten, en zag er precies uit als een van schuld bewuste, nachtelijke moordenaar; zijn geweten was blijkbaar door misdaden bezwaard, want gedurende het gaan keek hij telkens vreesachtig om, en omhoog naar de Apen, alsof hij ze smeeken wilde, toch niet te verraden waarheen hij ging.” — Een kogel maakte een einde aan zijn loopbaan.

De stem van den Tijger staat, wat kracht betreft, ver achter bij die van den Leeuw. Gewoonlijk bestaat zij uit een langgerekt, klagend geluid, dat verscheidene malen korter en sneller herhaald wordt. Bovendien brengt hij de zware keelgeluiden “A-o-oeng” voort, die men in alle diergaarden van de meeste groote Katten verneemt, voorts een luid “Ha-oeb” of “Wau,” als hij verrast en verschrikt wordt, verder een mokkend geknor, als iemand hem tergt, en een op hoesten gelijkenden, korten schreeuw, die woede te kennen geeft, en dien hij bij den aanval verscheidene malen, schielijk achtereen uitstoot.

De Tijger is over ’t algemeen geen moedig dier. Meestal is hij niet slechts voorzichtig en aarzelend, maar ronduit lafhartig, hoewel hij een buitengewoon sluwe en listige roover is. Tijgers, die voor de eerste maal menschen ontmoeten, gaan altijd op de vlucht, andere laten zich door geschreeuw en gebaren van streek brengen; voor een vastberaden tegenstander houdt waarschijnlijk geen enkele Tijger stand. Deze en gene leert echter bij toeval den mensch kennen als een zeer gemakkelijk te overmeesteren schepsel, en kan dan zeer gevaarlijk worden, omdat hij niets kwaads vermoedende en weerlooze personen beloert en deze onverwachts overvalt. Zoo wordt hij in sommige gevallen niet slechts stoutmoedig, maar zelfs verregaande brutaal.

Dat de Tijger, wel verre van zich door vermeerdering van de bevolking van een gewest te laten afschrikken, hierdoor niet zelden wordt aangelokt, blijkt o.a. uit de geschiedenis van de stad Singapoer, die in 1824 door Sir Stamford Raffles gesticht werd op een eilandje bij de zuidelijkste punt van Malakka, en zich van een klein visschersdorp tot een stad van meer dan één millioen inwoners heeft uitgebreid. Aanvankelijk werden in de moerassige bosschen aldaar geen Tijgers gevonden. In 1835 werd de eerste Tijger bemerkt; hij was zwemmende van den overkant gekomen, over het tamelijk breede kanaal, dat het eiland van het vaste land scheidt. Thans zijn de Tijgers er zoo talrijk, dat ieder jaar honderden menschen door deze roofdieren worden verslonden.

Vele gewesten zijn berucht wegens de rooverijen, die daar door Tijgers gepleegd worden: men beweert, dat zonder de groote vrees, die zelfs deze van menschenvrees over ’t algemeen vrije dieren voor het vuur en voor een troepje vastberaden mannen koesteren, een geregelde gemeenschap tusschen sommige plaatsen en streken, die zeer sterk door Tijgers geteisterd worden, nauwelijks mogelijk zou zijn. Uit de nabijheid van dorpen, en zelfs tusschen de hutten weg, hebben zij op klaarlichten dag menschen geroofd en de overige bewoners menigmaal zoo beangst gemaakt, dat zij hun woonplaats verlieten. Het grootste gevaar loopen natuurlijk die menschen, welke een meer of minder eenzaam leven leiden en bij hun arbeid in de vrije natuur verkeeren, zooals herders, houthakkers en boeren; de herders zijn bovendien voortdurend in zorg over hunne kudden. Ook de postboden zijn er slecht aan toe.

Tegen het einde van het tijdperk 1860–1870 huisde in Maisoer een menschenetende Tijger, die onder den naam van Benkipoer-Tijger een treurige beroemdheid kreeg en in het Noeggerdistrict van Maisoer grooten schrik verbreidde, totdat eindelijk een goed gemikte kogel hem trof. Forsyth bevrijdde in den aanvang van hetzelfde tiental jaren de Centrale-Provinciën van eenige menscheneters, welker daden hij verhaalt. De eene had eenige wegen volkomen gesloten, de bewoners van verscheidene dorpen verdreven en andere gedwongen hunne woningen met versperringen te omgeven. Deze Tijger beheerschte een gebied van 50 à 60 KM. middellijn en moet meer dan 100 menschen geroofd hebben, vóór het Forsyth gelukte, hem neer te vellen. In hetzelfde gebied roofde, volgens Fayrer, een Tijger in de drie jaren 1867 tot 1869 resp. 27, 34 en 47 menschen, tot een val met automatisch afgaand geweer hem doodde. Een Tijgerin verdreef de bewoners van 13 plaatsen, stoorde den akkerbouw in een landstreek van ongeveer 1000 vierkante KM. en wist op de listigste wijze aan alle vervolgingen te ontkomen, totdat een Engelsche jager het geluk had haar te schieten.

Men mag echter uit het feit, dat zulke verschijnselen voorkomen, niet afleiden, dat zij gewoon en alledaagsch zijn.

De thans gebruikelijke wijzen van jagen, waarbij de jager den begeerden buit opspoort, bespiedt, vervolgt en onder de meest verschillende omstandigheden waarneemt, hebben ons nauwkeurige berichten verschaft over den aard en de handelingen van de Tijgers in Indië. Nu het aantal van hen die zich met deze jacht bezighouden — er zijn zelfs dames onder —,