zeer groot geworden is, hebben de oude jachtverhalen en moordgeschiedenissen, waarin de Tijger een rol speelde, veel van hun waarde verloren, en is het niet moeilijk meer, alledaagsche van ongewone gebeurtenissen op dit gebied te onderscheiden.
Zooals te verwachten was, bestaat er ook onder de Tijgers een vrij groote ongelijkheid van aard en neigingen; toch kan men deze Roofdieren, volgens hen die ze het best kennen, naar hun gewone levenswijze in drie groepen onderscheiden: de wilddooders, de veeroovers en de menscheneters.
De wilddooder vermijdt de woonplaatsen der menschen, want hij houdt zich in de eigenlijke wildernis op, waar hij op bijna alle uren van den dag door het woud, de struiken en het gras sluipt. Door den nood gedrongen, leidt hij een meer zwervend leven dan de andere Tijgers; hij trekt met het wild, dat tengevolge van de wisseling der jaargetijden andere verblijfplaatsen opzoekt, van de eene landstreek naar de andere, naar de heuvels en de bergen, zoowel als naar de vlakten. Hoewel hij aan de jachtliefhebbers een dikwijls zeer onaangename concurrentie aandoet, is hij in vele opzichten een goede vriend van den landbouwer, daar hij hem in zekeren zin voor “veldkat” dient, en meer bepaaldelijk de Herten en Zwijnen verdelgt en verdrijft, tegen welker verwoestingen de boer zijne akkers bijna niet kan beveiligen. De wilddooders zijn in den regel slanker gebouwd en behendiger dan de andere Tijgers, ofschoon ook onder hen zeer zware exemplaren aangetroffen worden. Zij vormen verreweg de talrijkste afdeeling, en verzamelen zich gedurende den heetsten en droogsten tijd bij de dan nog overgeblevene drinkplaatsen.
De veeroover zoekt de nabuurschap der dorpen op en kiest zijn buit bij voorkeur onder de huisdieren, die naar de weide gedreven worden of des nachts toevallig los in ’t dorp rondloopen. Daar de boeren gewoon zijn hun vee vóór het invallen van de duisternis naar een veilige plaats te brengen, heeft de roover zich aangewend, op klaarlichten dag, gewoonlijk in de tweede helft van den namiddag, te gaan fourageeren. Als hij niet vervolgd en bedreigd wordt, strekt zijn jachtgebied zich in den regel slechts over eenige dorpen uit; in ’t tegengestelde geval begint hij verder rond te zwerven. In een landschap van Maisoer, dat ongeveer 40 KM. lang en 20 KM. breed was, leefden op deze wijze acht welbekende Tijgers ieder voor zich. Het spreekt van zelf, dat zij ook Schapen, Geiten of Ezels voor lief nemen, en dat zij ook wel Herten, Zwijnen en ander wild vangen, wanneer zij ze toevallig tegenkomen. Eerst wanneer de Tijger oud, vet en gemakzuchtig geworden is, zal hij zich geheel tot het veerooven bepalen; hij kiest zich dan een aangename streek, waar vleesch en water in overvloed verkrijgbaar zijn, tot hoofdkwartier. Met de dorpelingen leeft hij op den voet van wederkeerige verdraagzaamheid; zoowat om den vierden of vijfden dag ontneemt hij hun een Rund.
Hierbij moet men trouwens niet aan onze Runderen denken en daarnaar de schade bepalen. Daar de Hindoes in ’t geheel geen Runderen dooden, zijn er in alle dorpen een groot aantal afgeleefde en ellendige exemplaren, die niemand voordeel aanbrengen, maar veeleer schade opleveren, omdat zij het voornamelijk zijn, die de veepest verbreiden; eigenlijk worden zij nog het best besteed, wanneer zij als voedsel voor de Tijgers dienen. — Zonder den krijg, dien de Tijgers en Luipaarden tegen de Herten en Zwijnen voeren, zou het in vele districten in ’t geheel niet mogelijk zijn, een oogst te verkrijgen, die de moeite loont. Daarom zijn de landbouwers er volstrekt niet altijd mede ingenomen, als van hunne Tijgers de wilddooders en de bescheidene veeroovers, die hun als ’t ware den dienst van opzichters over den akker bewijzen, al te zeer vervolgd worden. Toen een van ouds bekende, buitengewoon sluwe en reusachtig groote veeroover door het doodelijk schot van Sanderson neergeveld was, zeiden de inboorlingen, die treurig om het lijk stonden: “Het spijt ons voor hem; hij heeft ons nooit eenig kwaad gedaan.”
De menscheneter is in de meeste gevallen een gewezen veeroover, die ten gevolge van het voortdurend verkeer met menschen, en vooral door ontmoetingen met herders, de vrees voor den mensch heeft afgelegd. Soms is het een oud mannetje, meestal echter een wijfje (vermoedelijk omdat dit voor jongen te zorgen heeft), dikwijls ook een dier dat op de een of andere wijze verminkt is en daarom niet meer op de gewone wijze aan de kost kan komen. De mensch kan zooveel gemakkelijker beslopen en overmeesterd worden dan een tam of wild dier, dat de Tijger, wanneer hij eens de vrees voor den mensch verloren heeft, dezen als prooi neemt, zoodra hij hem zonder gevaar kan krijgen. Dit heeft aanleiding gegeven tot de meening, dat de Tijger aan menschenvleesch boven ieder ander voedsel de voorkeur geeft, welke meening volkomen ongegrond is, evenals die, dat de menscheneters in den regel zwak en mager zijn.
De Tijger wordt, naar men zegt, vooral in die gewesten een menscheneter, waar de kudden slechts in bepaalde jaargetijden heen gedreven worden, zoodat na hun vertrek de achter-