Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/163

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

geblevene veeroovers door gebrek aan voedsel genoopt worden, de inboorlingen te overvallen. De menscheneter toont volstrekt geen grooteren moed dan de veeroover of wilddooder; hoewel merkwaardig brutaal, is hij even lafhartig als listig; hij vlucht voor gewapende personen en valt eenzame, weerlooze lieden aan; dezen weet hij zeer goed te onderscheiden van genen. Daar hij tengevolge van zijn levenswijze beter dan de andere Tijgers de gebaren van den mensch begrijpt, is hij moeielijker te jagen. “Deze vreeselijke geesel”, schrijft Sanderson, “voor de vreesachtige en ongewapende Indiërs wordt thans gelukkig zeer zeldzaam; van menscheneters van de ergste soort hoort men bijna niet meer spreken, en als zij optreden, vinden zij spoedig hun meester.

“Te betreuren is het, dat men den Tijger vogelvrij heeft verklaard, hem op alle mogelijke wijzen, niet alleen op jagersmanier, verdelgt. Men meent, dat de Tijger schadelijk is. Voor deze ook in Engeland bij het volk verbreide meening bestaat echter geen voldoende grond. Wel is het noodzakelijk iederen menscheneter en zelfs de hardnekkigste veeroovers met alle mogelijke middelen op te sporen en te dooden; gewone Tijgers echter zijn niets minder dan gevaarlijk; zij hebben zelfs hun nut. Moge de dag nog verre zijn, waarop er feitelijk geen Tijgers meer bestaan!” — Als ambtenaar belast met de vangst van Olifanten voor de Engelsch-Indische regeering, moest onze zegsman wegens zijn beroep in de wildernis te midden van de wilde dieren leven; hij kent door eigen aanschouwing de meest verschillende districten van Indië en is hierdoor beter dan de meeste menschen bevoegd om in dezen een oordeel uit te spreken. Zijne beschouwingen verdienen te meer overwogen te worden, daar hij volstrekt niet de eenige is, die tot deze slotsom geraakt. Sherwill zegt ronduit: “De Bengaalsche Tijger is over ’t algemeen een onschadelijk, vreesachtig dier, dat alleen boosaardig en gevaarlijk wordt, wanneer het gewond is. Zelden valt hij de menschen lastig, zonder getergd te zijn; menscheneters komen in Bengalen nagenoeg niet voor, met uitzondering van de omstreken der moerassige wouden (Sandarbands) van de Ganges-delta.” Ook Fayrer, die voor ’t overige de gevaarlijkheid van den Tijger volkomen erkent, verzekert, dat ongelukken van allerlei soort bij de tijgerjacht niet vaker voorkomen, dan b.v. bij de vossenjacht in Engeland.

Op grond van de zooeven medegedeelde beschouwingen zal men den Tijger anders moeten beoordeelen, dan tot dusver gebruikelijk was. Hij is een Roofdier, dat in vele landen (althans van Indië) meer voordeel doet dan schade, en dat slechts in zeldzame gevallen het “toonbeeld van verschrikkelijkheid” wordt, waarvoor tot dusver alle leden van deze soort zonder onderscheid aangezien werden.

Zoomin de Tijger als de Leeuw gaan bij het vangen van dieren te werk op de wijze zooals dit gewoonlijk wordt voorgesteld, n.l. door op een zekeren afstand van de prooi het lichaam te krommen en dan met een verraderlijken sprong op het slachtoffer neer te storten. De goede uitkomst van hun aanval berust voornamelijk hierop, dat hij onverwachts plaats heeft. Een dier, dat door den Tijger beloerd of bekropen werd, en dus dichtbij is, wordt direct gegrepen, een meer verwijderde prooi tracht hij met snelle sprongen te bereiken, een vluchtend dier vervolgt hij, en tracht intusschen, vooral bij groote dieren, de spieren en peezen van de achterpooten door woedende slagen met de klauwen te verscheuren; ook poogt hij vee, dat op de vlucht geslagen en door schrik ontsteld is, langs verborgen omwegen vooruit te komen, om het nogmaals te overvallen.

De Tijger is gewoon zijn prooi dadelijk, of eerst als de nacht invalt, in een schuilhoek te midden van de struiken of van het riet te sleepen; soms draagt hij haar zelfs over een korten afstand. Sanderson staat er als ooggetuige voor in, dat een zeer sterke, mannelijke Tijger een os van omstreeks 180 KG. gewicht door allerlei struiken heen meer dan 300 schreden ver gedragen heeft. Als hij niet gestoord wordt, vreet hij, zooveel hij verzwelgen kan, — volgens betrouwbare berichten ongeveer 30 KG. vleesch in één maal. Gewoonlijk begint hij aan een achterkwartier, slechts bij uitzondering aan een der zijden. Terwijl hij zich verzadigt, gaat hij van tijd tot tijd naar een naburige stroom of plas om overvloedig te drinken; naar men zegt, begeeft hij zich dan vaak te water en dompelt, terwijl hij aan ’t waden is, den kop tot aan de oogen er in, voortdurend leppend en gorgelend, alsof hij zich den keel uitspoelen wil. Na een overvloedig maal valt hij in slaap; hij wijdt zich met een zekeren wellust aan de spijsverteering en beweegt zich dan alleen om te drinken. Gewoonlijk des avonds, of althans tusschen 4 en 9 uur ’s namiddags, keert hij naar zijn buit terug, om er nogmaals van te eten voor zoover er nog iets van over is; want ook aan zijn tafel, evenals aan die van den Leeuw, komt een troep hongerige bedelaars zich te goed doen; bij zijn nadering nemen zij echter zoo schielijk mogelijk de vlucht. Buitengewoon lang kan de Tijger honger en dorst verdragen. Twee Tijgers, die in een met netten omringde, ondoordringbare wildernis van ongeveer honderd schreden middellijn opgesloten waren, werden op den vijfden dag aangeschoten en konden eerst op den tienden dag met behulp