Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/166

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

dan de Tijger, maar verschilt er ook van door de in ’t oog loopend korte pooten en den staart, die even lang is als ’t lichaam. De grondkleur van zijn vacht, die witachtig grijs, aschgrauw of bruinachtig grauw, soms ook geelachtig of roodachtig getint is, zweemt aan de onderdeelen naar runkleur. De kop, de pooten en het onderlijf zijn met volle, zwarte, rondachtige of gekromde vlekken en strepen geteekend. Over beide zijden van den hals strekken zich drie onregelmatige, overlangsche strepen uit, over den rug loopen twee soortgelijke naar achteren; smallere strepen bevinden zich aan de zijden van den kop. Op den schouder, de zijden van den romp en de heupen liggen onregelmatige, zwarte vlekken met hoekigen zoom, zoo ook op den staart. De randen van den mond vertoonen een zwarten zoom; de ooren zijn van buiten zwart met grijze vlekken. De lichaamslengte bedraagt ongeveer 1 M., die van den staart 74 à 92 cM. Het verbreidingsgebied van dit dier is vrij uitgestrekt; het omvat het geheele Zuid-oostelijke Azië met de Groote Soenda-eilanden.

Tot voor weinige jaren was de Nevelpanter even zeldzaam in de verzamelingen als in de dierentuinen; eerst sedert kort ziet men hem in de grootste inrichtingen van dien aard, steeds evenwel slechts enkele exemplaren. De inboorlingen van Sumatra verzekeren, dat hij in ’t geheel niet wild is, en zich uitsluitend met kleine Zoogdieren en Vogels voedt. Onder de Vogels die hem ten buit vallen, moeten ook de Huishoenderen genoemd worden, waardoor hij soms groote schade aanricht. Een zeer fraaie en gezonde Nevelpanter bevond zich in de Londensche diergaarde — een prachtig, tam, lief dier, waarmede de oppasser omging, alsof het een goedaardige Huiskat was. Ik ken, behalve den Gepard, geen Kat, die wat inborst betreft, op hem gelijkt.

Dat de Wilde Kat of Boschkat (Felis catus) de stammoeder van onze Huiskat zou zijn, wordt door vele onderzoekers onwaarschijnlijk geacht, wegens het groote verschil, dat er tusschen deze dieren bestaat. Door andere onderzoekers werd en wordt dit verschil beschouwd als een gevolg van de domesticatie, d. i. als een gevolg van de veranderde omstandigheden, waarin het dier geleefd heeft in de duizenden van jaren, die er verloopen zijn, sedert het een huisdier is geworden. Al dadelijk vallen bij vergelijking van de beide dieren de veel forschere lichaamsbouw en de wildere blik van de Boschkat in het oog: de kop is dikker, de romp meer ineengedrongen, het haarkleed langer en dichter, de bovenlip met meer tastborstels voorzien, het gebit scherper en krachtiger, de staart korter, dikker en ruiger. De staart van de Wilde Kat is gelijkmatig van dikte over zijn geheele lengte, van den wortel tot de spits, en hier als ’t ware afgehakt of afgeknot; bij de Huiskat echter wordt hij van ’t midden tot de spits allengs dunner. Bij de Huiskat is hij vóór de zwarte spits met 7 of 8 donkere dwarsstrepen geteekend, die aan de bovenzijde min of meer ineenvloeien tot een overlangsche, donkere streep, van onderen alleen aan de achterste helft duidelijk doorloopen, aan de voorste daarentegen steeds nader bij elkander komen en onduidelijker worden, naarmate zij dichter bij den staartwortel gelegen zijn. Bij de Boschkat gaan aan de zwarte spits drie breede, volslagen ringen vooraf, en is de voorste staarthelft geteekend met vier smallere en minder duidelijke ringen, die zich niet over de onderzijde uitstrekken. Bij de Huiskat is het spijskanaal 5 maal, bij de Boschkat slechts 3 maal zoo lang als het lichaam.

Andere kenmerken van de Wilde Kat zijn: de geelachtig witte vlek aan de keel en de zwarte, of althans donkere, kleur van de onbehaarde ballen aan de zool (aan den wortel van ieder klauwlid één, en achter deze een groote, van voren tweelobbige, van achteren drielobbige bal, waarop de worteleinden der eerste leden van vier teenen rusten). Ook de onbehaarde of weinig behaarde deelen van het aangezicht (van oogleden, neus en lippen) zijn voor ’t meerendeel zwart; de binnenzijde van het oor is echter rood- of geelachtig wit.

De Wilde Kat wordt soms wel 8 of 9 KG. zwaar. Haar lengte bedraagt, bij 35 à 42 cM. schouderhoogte, in den regel 100 à 120 cM., waarbij 30 à 35 cM. voor den staart. Enkele Katers worden nog grooter, en zijn ongeveer zoo groot als een Vos, dus ⅓ grooter dan de Huiskat.

De vacht is bij het mannetje aan de bovenzijde vaalgrijs, soms zwartachtig, bij ’t wijfje heeft zij een meer geelachtige tint; het aangezicht is roodachtig geel, het oor aan de rugzijde roestkleurig grijs. Vier evenwijdige, zwarte strepen, die aan het voorhoofd beginnen, loopen tusschen de ooren door over de kruin; de beide middelste zetten zich naar achteren voort, totdat zij in de schouderstreek elkander boogvormig naderen; daartusschen begint de zwarte streep, die zich over het midden van den rug en de bovenzijde van den staart uitstrekt. Van deze streep gaan naar de beide zijden vele aan den rand wegsmeltende dwarsstrepen uit, die een weinig donkerder zijn dan de overige en naar den buik afdalen.