Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/178

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

lengte van het dier, van het voorste gedeelte van den snuit tot aan de spits van den staart omstreeks 2.4 à 2.8 M. is. Pas geboren Leeuwen zijn ongeveer 33 cM. lang, zij hebben zoomin manen als een staartkwast, maar zijn met een wollig, grijsachtig haarkleed bedekt; dit vertoont aan den kop, aan de pooten en de zijden, over den rug en aan den staart een teekening, die den in ’t vergelijken van dieren geoefenden onderzoeker onmiddellijk aan den Panter herinnert. Deze teekening verbleekt reeds in het eerste levensjaar, hoewel zij, vooral bij de wijfjes, nog gedurende verscheidene jaren, vooral aan de pooten en aan de onderzijde van het lichaam zichtbaar blijft. De Leeuwin blijft altijd min of meer op het jonge dier gelijken; vooral door de beharing onderscheidt zij zich van het mannetje: de haren zijn overal even lang of alleen aan het voorste gedeelte van het lichaam een weinig langer. De Barbarijsche Leeuw is beperkt tot het Atlas-gebergte en naburige gewesten.

De Senegal-Leeuw (Felis leo senegalensis) verschilt van de zooeven genoemde ondersoort door de weinig ontwikkelde of geheel ontbrekende buikmanen; de manen aan ’t voorste gedeelte van ’t lichaam zijn goed ontwikkeld, maar korter en minder dicht dan bij den vorigen vorm.

De Kaapsche Leeuw (Felis leo capensis), en, naar het schijnt, ook die van Abessinië, onderscheidt zich door aanzienlijke grootte en heeft donkere manen. Het verbreidingsgebied van den Senegal-Leeuw en van den Kaapschen Leeuw — die misschien tot dezelfde ondersoort behooren — omvat alle landen van Middel- en Zuid-Afrika, van de westkust tot aan de oostkust en van ongeveer 20° N.B. tot het Kaapland. Hij komt aan den Blauwen en Witten Nijl en in Abessinië in boschrijke streken geregeld, in vele steppenlanden van Middel- en Zuid-Afrika veelvuldig voor.

De Perzische Leeuw (Felis leo persicus), die bleek isabelkleurig is en ruige manen heeft, welke uit dooreengemengde, bruine en zwarte haren bestaan, is van Perzië tot Indië verbreid; wij kennen hem nog te weinig, om met bepaaldheid te kunnen zeggen, of hij met de Senegal-Leeuw dan wel met die van Guzerate grootere overeenkomst vertoont.

De Leeuw van Guzerate (Felis leo guseratensis), zoo genoemd naar een gebied in Vóór-Indië, heet ten onrechte ook wel “Manenlooze Leeuw,” en is ook niet altijd kleiner dan zijne verwanten, zooals vaak beweerd werd. Dit reeds aan de ouden bekende dier is geheel en al vaal roodachtig geel of geelachtig bruin gekleurd, met uitzondering van den donkeren staartkwast en van de ooren, die aan de buitenzijde, dicht bij hun plaats van aanhechting, min of meer zwart getint zijn.

De tijden toen men 600 Leeuwen voor de wilde dierengevechten in de arena bijeen kon brengen, liggen reeds meer dan duizend jaren achter ons. Sedert dien tijd heeft de “koning der dieren” zich voor den “beheerscher der aarde” meer en meer teruggetrokken. De mensch bestrijdt hem overal zoo krachtig mogelijk, en zal hem, evenals tot nu, verder en verder terugdringen en eindelijk geheel vernietigen. De Barbarijsche Leeuw was vroeger ook over het geheele noordoosten van Afrika verbreid en kwam in Egypte niet veel minder veelvuldig voor dan in Tunis of in Fez en Marokko; door de vermeerdering van de bevolking en de toenemende beschaving werd hij echter allengs verdrongen, zoodat hij thans reeds in het Beneden-Nijldal niet meer voorkomt en in nagenoeg geen enkele kuststreek van de Middellandsche Zee meer aangetroffen wordt. Ook nu nog echter is hij in Algerië en Marokko niet zeldzaam, in Tunis en de oase Fezzan op zijn minst genomen geen ongewone verschijning. Vooral in Algerië is het aantal Leeuwen sterk verminderd: door de veelvuldige oorlogen van de Franschen met de Arabieren zijn zij verdrongen; de Fransche leeuwenjagers, van welke Jules Gérard vooral vermelding verdient, hebben hunne rijen gedund. De Senegal-Leeuw verkeert in gunstiger omstandigheden: de inboorling van Middel-Afrika, die meestal met een lans, minder dikwijls met vergiftige pijlen en slechts bij uitzondering met een geweer gewapend is, kan aan zijn lastigen belastinggaarder slechts weinig afbreuk doen. Toch wordt de Leeuw ook door den donkerkleurigen mensch meer en meer teruggedrongen.

De Leeuw leeft eenzaam; alleen in den paartijd blijft hij bij zijn wijfje. Buiten dien tijd bewoont iedere Leeuw in Noord-Afrika zijn eigen gebied, hoewel het niet in zijn aard ligt om wegens het voedsel met andere dieren van zijn soort strijd te voeren. In Zuid-Afrika komt het vaak voor, dat verscheidene Leeuwen zich vereenigen tot groote jacht-expedities. Volgens Livingstone zwerven troepen van 6 à 8 stuks gemeenschappelijk jagend rond. In buitengewone omstandigheden komen zij tot nog talrijker troepen bijeen. Selous, wiens berichten uit den laatsten tijd afkomstig zijn, zegt eveneens: “In het binnenland van Zuid-Afrika treft men troepen van 4 à 5 Leeuwen, die te zamen jagen, veelvuldiger aan dan eenzaam rondzwervende individuën; troepen van 10 à 12 stuks zijn niet zeldzaam.”

De Leeuw is geen bewoner van het oerwoud, maar houdt van het open veld: hij geeft de voorkeur aan met gras begroeide landstreken met verspreid heestergewas en kreupelhoutboschjes, aan