zeggen de Arabieren, “kondigt hij door gebrul zijn komst aan, en waarschuwt hierdoor alle dieren hem uit den weg te gaan.” Deze goede meening berust ongelukkig op zwakke grondslagen; want zoo vaak ik het gebrul van den Leeuw vernam, heb ik de ervaring opgedaan, dat hij zonder gedruisch te maken naar het dorp was geslopen, en het een of ander stuk vee had geroofd. Ook andere onderzoekers verhalen, dat de Leeuw zeer dikwijls zachtjes nadersluipt “als een dief in den nacht.”
Hieruit moet men echter niet afleiden, dat hetgeen de Arabieren zeggen, onwaarheid is, maar alleen, dat zij een onjuiste verklaring geven van iets, dat werkelijk geschiedt. Mij zelf is het gebleken, dat dit gebrul geen waarschuwing is aan de dieren, die de Leeuw als prooi verlangt, maar ten doel heeft het jachtgebied in opschudding te brengen, de dieren tot vluchten te nopen en ze hierdoor toe te voeren aan den een of anderen Leeuw; zoo niet aan hem die het gebrul laat hooren, dan misschien aan zijn ergens op den loer liggenden jachtgezel. Mijn inziens brult de Leeuw in de nabijheid van de omheinde ruimte, die tot berging van vee dient, om het opgesloten vee een panischen schrik aan te jagen, en daardoor te verleiden los te breken. Ik zal trachten een dergelijken rooftocht te beschrijven.
Met zonsondergang heeft de nomade zijn kudde binnen de “seriba” gedreven en opgesloten. Deze 3 M. hooge en ongeveer 1 M. dikke, uiterst dichte heg, die uit de doornachtige takken van de Mimosa’s samengevlochten werd, is de veiligste vestingwal, dien hij maken kan. De Schapen blaten naar hunne jongen, de Runderen, die reeds gemolken zijn, hebben zich neergevleid. Een troep waakzame Honden houdt de wacht. Het wordt stiller en rustiger; het geraas verstomt; de vrede van den nacht daalt op de legerplaats neder. Vrouw en kind van den eigenaar hebben in de eenige tent rust gezocht en gevonden. De mannen hebben hunne laatste bezigheden verricht en zijn ook van plan hunne slaapplaatsen op te zoeken. Van de naastbijgelegene boomen laten de langstaartige Geitenmelkers hun nachtlied hooren, of dragen vliegend hun vederentooi door de lucht, naderen dikwijls en met voorliefde de seriba en ijlen als geesten over de slapende kudde heen. Overigens is alles stil en rustig. Zelfs de keffende Honden zijn verstomd, maar toch niet nalatig geworden in den dienst, die van hen verlangd wordt.
Eensklaps schijnt de aarde te dreunen: in de onmiddellijke nabijheid brult een Leeuw! Thans staaft hij zijn naam “Essed,” d. i. oproerverwekker, want een werkelijk oproer, de grootste ontsteltenis, ontstaat er in de seriba. De Schapen rennen als zinneloos tegen de doornhaag, de Geiten schreeuwen luid, de van angst steunende Runderen dringen tot een verwarde troep bijeen, de Kameel tracht, omdat hij graag zou vluchten, de kluisters die hem tegenhouden, te verbreken, en de moedige Honden die Luipaarden en Hyena’s bevochten, huilen jammerlijk en zoeken bescherming bij hun meester. Met een geweldigen sprong is de machtige vijand over den muur van doornen geschoten, om zich een slachtoffer uit te zoeken. Door een enkelen slag met zijne vreeselijke klauwen heeft hij een jong Rund neergeveld; het krachtige gebit verbrijzelt de halswervels van het weerlooze dier. Dof brullend ligt het Roofdier op zijn buit; de schitterende oogen fonkelen van roofgierigheid en van blijdschap over de behaalde zege; met den staart zweept hij de lucht. Voor een oogenblik laat hij het stervende dier los, en grijpt het daarna met zijn vermorzelend gebit opnieuw aan, totdat het zich eindelijk niet meer beweegt. Nu begint hij den terugtocht. Hij moet weer over den hoogen muur, en wil zijn prooi niet achterlaten. Hij heeft al zijn geduchte kracht noodig om met het Rund in den bek den terugsprong uit te voeren. Maar hij bereikt zijn doel: ik heb een meer dan manshooge seriba gezien, waarover een Leeuw met een tweejarig Rund in den bek was heengesprongen; ik heb het indruksel waargenomen, achtergelaten door den zwaren last op de kruin van de omheining, en aan de andere zijde den door den val veroorzaakten kuil in het zand opgemerkt, waarin het naar beneden stortende Rund lag, voordat de Leeuw het verder sleepte. Men kan de vore, die door het voortsleepen van het dier ontstaat, dikwijls zeer duidelijk volgen tot aan de plaats, waar het roofdier zijn prooi verscheurd heeft.
Het is te begrijpen, dat alle dieren, die dezen roover kennen, vreesachtig worden, zoodra zij zijn gebrul hooren. Men moet echter niet meenen, dat de Leeuw te allen tijde zijn gebrul door de wildernis laat weerklinken. Zijne gewone geluiden zijn een langgerekte toon, gelijkende op het miauwen van een reusachtige Kat en een dof geknor of gebrom; schrik wordt te kennen gegeven door een kort gekuch, dat als “Hoef” of “Wau” klinkt. Het echte brullen verneemt men slechts zelden; menigeen, die zich in een door Leeuwen bewoond gebied heeft opgehouden, heeft het nooit gehoord. Het gebrul is kenschetsend voor het dier. Men zou het een bewijs van zijn kracht kunnen noemen: het is eenig in zijn soort en wordt, wat volheid van klank betreft, door de stem van geen ander levend wezen overtroffen, tenzij, zooals Pechuel-Loesche opmerkt, door het geluid van het mannelijke Nijlpaard. De Arabieren