Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/185

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

terwijl in Holland de benaming van ‘Tijger’ voor deze dieren, verreweg meer gebruikelijk is, dan die van Luipaard of Panter, welken laatsten naam men zelden of nooit uit den mond des volks verneemt. Het woord Tijger wordt daarentegen in de meeste overige talen, en in het Hoogduitsch altijd, ter aanduiding van den eigenlijken Tijger gebruikt, aan welken men in het Hollandsch, om hem van den Luipaard of gevlekten Tijger te onderscheiden, den bijnaam van Konings-, gestreepten of Bengaalschen Tijger geeft.”

De “Luipaard” (Felis pardus) heeft een lengte van 170 à 200 cM., waarbij voor den staart 60 à 80 cM. De kop is groot en rondachtig, de snuit steekt weinig vooruit, de hals is zeer kort, de romp krachtig, de geheele gestalte gedrongen; de pooten zijn middelmatig hoog en sterk, de teenen niet bijzonder groot. De licht roodachtig gele grondkleur is op den rug donkerder, gaat aan de keel en aan het voorste gedeelte van de borst in lichtgeel of witachtig geel, aan de onderzijde en aan de binnenzijde van de ledematen in geelachtig wit over. Het aangezicht, de kruin, de de nek, de zijden van kop en hals, de schouders, de buitenzijde van bovenarm, onderarm, bovenbeen en onderbeen, de keel en het voorste deel van de borst zijn dichtbezet met kleine, zwarte, rondachtige vlekken, welker grootte afwisselt tusschen die van een erwt en die van een walnoot. Aan het achterste gedeelte van den hals vormen zij schuins naar voren gerichte reeksen; op de schouders en pooten vloeien zij bij tweeën of drieën tot onregelmatige vlekken ineen, die reeksen vormen, welke van boven naar onderen gericht zijn. Aan weerszijden van den romp komen 6 à 10 dwarsloopende reeksen van ringvlekken voor. Deze ringen omsluiten ieder een “hof”, die iets donkerder is dan de grondkleur; zij zijn ieder uit 2 à 4 halvemaanvormige vlekken samengesteld, die ook wel tot een volkomen ring ineenvloeien. Ringvlekken vindt men ook aan ’t bovenste gedeelte van de dij en aan den wortel van den staart; voor het overige is deze met onregelmatige vlekken geteekend, met uitzondering van de onderzijde bij de spits, waar hij bijna zuiver wit is. De teekening van de onderzijde en van de binnenzijde der ledematen bestaat uit volle vlekken, waarvan eenige twee aan twee ineenvloeien. Het oor is aan de buitenzijde grijsachtig zwart, met uitzondering van een groote, witachtige vlek bij de spits. Het oog heeft een groenachtig gele iris en een ronde pupil. Er bestaat geen belangrijk verschil in teekening zoomin tusschen mannetjes en wijfjes, als tusschen de oude dieren en de zelfstandig geworden jongen. Sommige exemplaren zijn echter donkerder van kleur of zelfs geheel zwart. Een glanzig bruinachtig zwarte verscheidenheid, die alleen in ’t volle zonlicht gevlekt schijnt, wordt in Abessinië Gesela" genoemd en om zijn vel ijverig vervolgd.

Van den Luipaard zegt men, dat hij bijna alle landen van Afrika bewoont.

Aan den “Panter” (Felis panthera) worden de volgende kenmerken toegeschreven: Een totale lengte van 200 à 240 cM., waarvan er ongeveer 82 à 96 op den staart komen. De kop is matig groot en langwerpig rond, de snuit steekt duidelijk vooruit, de hals is kort, de romp krachtig maar toch gestrekt, de stevige pooten zijn naar verhouding zeer sterk, de teenen zijn groot. De grondkleur, licht okergeel, gaat op den rug in donker roodachtig geel, aan de onderzijde van den romp en aan de binnenzijde van de ledematen in geelachtig wit over; zij gelijkt dus op die van den Luipaard, maar komt veel duidelijker uit. De kop is minder rijkelijk gespikkeld dan bij dezen, de vlekken zelf zijn over ’t algemeen iets kleiner, en de kop schijnt hierdoor lichter gekleurd. Behalve op den kop, den nek, de zijden van den hals, de keel en het bovenste gedeelte van de borst vindt men alleen nog op de voorarmen en onderbeenen volle vlekken, die meestal door samenvloeiing van 2 of 3 kleinere vlekken ontstaan zijn. De schouder en het bovenbeen daarentegen zijn, evenals de rug en de zijden, met ringvlekken of hofvlekken bezet. Alle hofvlekken onderscheiden zich van die van den Luipaard door haar aanzienlijkere grootte: de ruime hof is helder roodachtig geel, de hem omgevende ring bestaat uit 5 à 7, soms 8, kleine, halvemaanvormige vlekken.

Als woonplaats van den Panter worden het zuiden en oosten van het Aziatisch vastland aangegeven, ook Palestina, Klein-Azië en de Kaukasus.

De Soendaneesche of Langstaartige Panter (Felis variegatus) van Sumatra en Java moet, naar men zegt, gemakkelijk onderscheiden kunnen worden van den Luipaard en den Panter. Als zijne kenmerken worden opgegeven: de kleine, lange kop, de langwerpige hals, de zeer gestrekte romp, de staart die minstens even lang is als de romp, de korte, krachtige, met betrekkelijk zeer sterke klauwen gewapende pooten. Bovendien vertoont de teekening eigenaardigheden: de vlekken zoowel als de door hen gevormde ringen zijn veel kleiner, donkerder en dichter bijeengeplaatst dan bij de reeds genoemde verwanten. Hierdoor verkrijgt het vel een zwartachtig blauwen weerschijn, die duidelijk zichtbaar wordt, als men den blik er langs laat strijken. De grondkleur is donker leem-geel, de kleur van den hof der ring-