Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/191

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

veel talrijker dan thans. Caelius schreef aan Cicero, die toen landvoogd in Sicilië was: “Als ik bij mijne spelen niet geheele kudden van Pardels toon, zal men de schuld op u werpen.” Scaurus was de eerste, die, terwijl hij de waardigheid van aedilis bekleedde, zulke dieren in de arena bracht; hij liet er 150 tegelijk vechten, Pompejus echter 410 en {[sc|Augustus}} 420.

Waarschijnlijk is de Noordsche Luipaard, Sneeuwluipaard of Irbis (Felis uncia) het naast aan den Luipaard of Panter verwant. In grootte komt hij hem zeer nabij. De grondkleur van zijn vacht is witachtig grijs, naar lichtgeel zweemend; evenals zijne verwanten (p. 145) is hij aan de rugzijde donker, aan de onderzijde echter wit van kleur. De duidelijk bij de grondkleur afstekende, zwarte vlekken zijn op den kop klein en vol, aan den hals grooter en ringvormig en breiden zich aan den romp uit tot uit stippels bestaande ringen, die ieder een aan den rand lichten, in ’t midden donkerden hof omsluiten. Behalve door de kleur verraadt de beharing ook door gekroesdheid en wolligheid, dat haar bezitter koudere gewesten bewoont dan de Luipaard. “Hij vervangt,” volgens A. Walter, “den Panter in de gebergten van Toerkestan, bevolkt den Altaï en de Zuid-Siberische gebergten, breidt zich door het zuidoosten van Boekharije, den Pamir, Kaschmir in oostelijke richting over geheel Tibet uit.” In den Himalaja voedt hij zich met Wilde Schapen, Wilde Geiten, Knaagdieren, Vogels, rooft ook kleine huisdieren, en valt, naar men zegt, zelfs Paarden aan; dat hij ook menschen bespringt, is nooit gebleken.

Een drietal kleinere soorten van Katten der Oude Wereld, die met de zooeven genoemde verwant zijn, verdienen nog vermelding. De Gestippelde Kat of Visschende Kat (Felis viverrina) komt, wat grootte betreft, met de Boschkat overeen. Haar vacht heeft een grijsachtige grondkleur met over ’t geheele lichaam verspreide stippels. Zij bewoont Oost-Indië, het zuiden van China en het Maleische schiereiland, waar zij aan de oevers van rivieren en moerassen Visschen vangt, die haar voornaamste voedsel uitmaken; zij overvalt echter ook wel grootere Zoogdieren, zooals Honden en Schapen. De meeste zijn in de gevangenschap wild en moeilijk te temmen.

Nog kleiner — niet grooter dan de Huiskat — is de Koeëroek of Dwergkat (Felis minuta), die over geheel Oost-Azië verbreid is en o. a. op Java zeer talrijk voorkomt. Zij onderscheidt zich door haar behendigheid in ’t klimmen van boomen en door haar bloedgierigheid. Het is nog maar zelden gelukt haar eenigszins te temmen.

Als een overgangsvorm tusschen de Katten en de Lossen kan men den Serval (Felis serval), den “Boschkat” van de Zuid-Afrikaansche Boeren, beschouwen. Hij is slank gebouwd, de kop schijnt in ’t oog vallend hoog door de groote, breede ooren, de vacht is licht vaalgeel met zwarte strepen op den rug en zwarte stippels op de zijden. In Zuid-Afrika, doch ook in alle overige steppenlanden van Afrika, komt deze Kat vrij algemeen voor. Haar voedsel bestaat vooral uit Vogels, doch ook uit kleine Zoogdieren. Als zij jong gevangen is, wordt zij bij doelmatige behandeling zeer tam; de oude dieren zijn echter dikwijls ontembaar. Haar vel, dat niet hoog geschat wordt, komt onder den naam van “Afrikaansche Tijgerkat” in den handel voor.

*

Onder de Katten der Nieuwe Wereld, met welker beschrijving wij nu beginnen, meende men vroeger de naaste verwanten van den Leeuw te vinden; ten onrechte werd toen deze rang toegekend aan de éénkleurige Katten van Amerika; want door haar in ’t oog loopend kleinen kop zonder manen, haar slanken, op korte pooten rustenden romp verschillen zij belangrijk van den “koning der dieren”.

De meest bekende soort van de genoemde groep is de Koegoear of Poema (Felis concolor). Dit dier kan 1.85 M. lang worden (waarbij voor den staart 65 cM.), terwijl de hoogte in de schoften 65 cM. bedraagt. De dichte, korte en zachte beharing is aan den buik een weinig overvloediger dan aan de rugzijde. De kleur is grootendeels donker geel-rood, het donkerst op den rug, aan den buik geelachtig wit, aan de binnenzijde van de ledematen en aan de borst lichter, aan de keel en aan de binnenzijde van de ooren wit, aan hun buitenzijde zwart, in ’t midden naar rood zweemend. Boven en onder het oog staat een kleine, witte, vóór het oog een zwartachtig bruine vlek; beide soorten van vlekken kunnen echter ook wel ontbreken. De kop is grijs, de staartspits donker. Tusschen het mannetje en het wijfje bestaat geen verschil in kleur; de jongen echter zijn geheel anders. De kleur van de volwassen dieren is trouwens in verschillende landstreken ongelijk; die uit het Zuiden zijn lichter, bijna zilver-grijs; die welke in Mexico en de Vereenigde Staten leven, zijn donkerder roodachtig geel, of zelfs vaal bruinachtig grijs.