te vallen het hoofd en het lichaam omhuld met een “poncho”, den mantel dien men daar gewoonlijk draagt. Op eens hoort hij een kort, heesch geluid, en voelde bijna in ’t zelfde oogenblik dat hij aangeraakt werd. Snel het kleed van zich afschuddend, zag hij tot zijn niet geringe verrassing een Koegoear op een armslengte afstand naast zich. Deze was echter ook niet weinig verwonderd, keek den jager eenige oogenblikken verbaasd aan, ging langzaam achteruit, totdat hij tien schreden van zijn tegenstander verwijderd was, bleef nogmaals staan, en nam toen met groote sprongen de vlucht.

Poema (Felis concolor).1/10 v.d. ware grootte.
Koegoears, die niet jong meer zijn, als zij gevangen worden, versmaden soms het voedsel, dat men hen in de gevangenschap geeft, en sterven vrijwillig den hongerdood. Zeer jong gevangen dieren worden spoedig volkomen tam. Dikwijls kan men ze zonder bezwaar vrij in huis laten rondloopen. Zij zoeken hun verzorger op, vleien zich tegen hem aan, likken hem de handen en gaan aan zijne voeten liggen. Als zij gestreeld worden, spinnen zij op soortgelijke wijze als de Katten. Dit doen zij ook wel in andere omstandigheden, als zij zich recht op hun gemak gevoelen. Hun vrees geven zij te kennen door een soort van snuiven, hun ontevredenheid door een knorrend geluid; men hoort ze nooit brullen.
Twee door mij verzorgde Poemas begroetten hunne bekenden steeds door een niet bijzonder luid, maar scherp en bovendien kort afgebroken gefluit, zooals ik het nooit van andere Katten hoorde.