Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/198

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

stichten. Zoolang zij nog jong zijn, kan men ze door slagen in bedwang houden; later is het moeielijk baas over hen te blijven. Grootmoedigheid en erkentelijkheid zijn den Jagoear onbekend; hij toont geen duurzame genegenheid voor zijn verzorger of voor een dier, dat met hem werd opgevoed; het is daarom altijd een waagstuk, hem langer dan een jaar in gevangenschap te houden zonder hem op te sluiten.

Wegens zijn schadelijkheid wordt de Jagoear in bewoonde streken op alle mogelijke wijzen gejaagd en gedood. In Zuid-Amerika maken de Indianen hiertoe gebruik van hunne met het vreeselijke woerari-gif gedrenkte pijlen. Veel gevaarlijker dan deze wijze van jagen is de volgende: De jager omwikkelt zich den linker arm met een schapenvel en wapent zich met een tweesnijdend mes of dolk van omstreeks twee voet lengte. Zoo uitgerust zoekt hij met 2 of 3 Honden den Jagoear op. Tegen zulk een gering aantal Honden stelt deze zich dadelijk te weer; de jager gaat op hem af, gewoonlijk tergt hij hem bovendien door woorden en gebaren. Hierdoor vertoornd springt de Jagoear zijn vijand te gemoet en gaat met wijd opengesperden muil overeind staan evenals onze Beer. Op dit oogenblik houdt de jager den omwikkelden arm tot het afweren van de klauwen der beide voorpooten gereed, en stoot, terwijl hij een weinig naar rechts uitwijkt, den dolk in de linkerzijde van het Roofdier.

De bewoners van Paraguay vallen, te paard gezeten, den Jagoear eenvoudig met den lasso aan, werpen hem den strik om den hals, slepen hem in galop voort en worgen hem, dikwijls met behulp van een tweeden lasso, die in tegenovergestelde richting aangetrokken wordt. Soms schiet men den Jagoear van een hinderlaag uit. In sommige streken worden ook wel valkuilen aangebracht, of plaatst men bij een door den Jagoear gedood dier een geweer, dat afgaat, zoodra het dier de prooi aangrijpt.

Het vel van den Jagoear heeft in Zuid-Amerika slechts geringe waarde en wordt hoogstens voor voetkleeden en dergelijke zaken gebruikt. Het vleesch van een Once, dat door Von den Steinen gegeten werd, bleek taai te zijn; daarentegen zegt hij van een tweede door hem geschoten dier: “Het oncevleesch smaakt vet als gebraden varkensvleesch; bij de coteletten zou roode kool zeer goed passen.” Sommige lichaamsdeelen van den Jagoear worden als geneesmiddelen gebruikt.

Een kleine Kat van de Nieuwe Wereld is de Ocelot of Pardelkat (Felis pardalis). Haar lengte bedraagt 1.30 à 1.40 M. (waarbij 40 à 45 cM. voor den staart), de hoogte in de schoften ongeveer 50 cM.; het dier komt dus door zijn lengte nagenoeg overeen met onzen Los, maar staat, wat hoogte betreft, ver bij dezen achter. De romp is naar verhouding krachtig, de kop vrij groot, het oor kort, breed en afgerond, de pupil langwerpig eivormig; de staart, die naar de spits dunner wordt, is tamelijk lang, de beharing dicht, glanzig, zacht en even bont als smaakvol geteekend. De grondkleur van de bovenzijde is bruinachtig of roodachtig geel-grijs, die van de onderzijde geelachtig wit. Aan weerskanten loopt een zwarte, overlangsche streep van de oogen naar de ooren. Aan de bovenzijde van den kop komen geen stippels voor; de wangen zijn voorzien met dwarse strepen, van welke een keelstreep uitgaat; over den rug loopen verscheidene overlangsche strepen, meestal vier; langs den rug ziet men aan weerszijden een reeks van smalle, zwarte vlekken, waarbij eenige door grootte uitmunten; aan de zijden komen overlangsche reeksen van breede, gekromde, bandvormige strepen voor, die zich van de schouders tot aan de dijen uitstrekken, en een sprekender kleur hebben dan de grondkleur: deze strepen zijn zwart gezoomd, en omgeven dikwijls stippels. Het onderlijf en de pooten zijn versierd met volle vlekken, die op den staart tot ringen worden. Deze kleur en teekening varieeren trouwens zeer.

De Ocelet heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied. Het omvat het zuidelijke gedeelte van Noord-Amerika en de noordelijke landen van Zuid-Amerika tot Peru, Bolivia en Paraguay. Hij houdt zich liever op in de onbewoonde bosschen van het binnenland dan in de nabijheid van bewoonde plaatsen, ofschoon hij hier niet ontbreekt. In het open veld vindt men hem nooit, wel echter in boschrijke, rotsachtige en moerassige gewesten. Op vele plaatsen komt hij in grooten getale voor. Naar het schijnt, heeft hij geen bepaald leger. Over dag slaapt hij in het donkerste gedeelte van het woud in een ondoordringbaar labyrint van bladen en struiken, soms ook in holle boomen; in de morgen- en avondschemering, vooral echter ’s nachts gaat hij op roof uit; hij doet dit zoowel in heldere nachten bij sterrenlicht, als bij donker, stormachtig weer. Het laatste is hem zelfs aangenaam, omdat hij dan, onbemerkt door de Honden, de boerenhuizen naderen en daar naar verkiezing moorden kan. In donkere nachten moet de eigenaar zijn hoenderstal goed sluiten; want als de Ocelot er in kan komen, richt hij een geweldig bloedbad onder de Hoenderen aan. In de vrije natuur bestaat het voedsel van de Pardelkat uit Vogels, die zij in den boom of op den grond