Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/201

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

De schoonste, sterkste en grootste van alle leden van het geslacht is de Gewone Los (Lynx vulgaris). Voordat ik de exemplaren, die in het Museum van Christiania voorkomen, gezien had, wist ik niet, hoe groot de Los worden kan; in de meeste verzamelingen treft men slechts exemplaren van middelmatige grootte aan. Een volkomen ontwikkelde Los is minstens even zwaar, doch een weinig korter en hooger op de pooten, dan de Luipaarden, die in de wilde dierenspellen vertoond worden. Zijn lichaamslengte bedraagt zonder den staart 1 M. en kan nog wel tot 1.3 M. toenemen; de staart is 15 à 20 cM. lang; de hoogte in de schoften bedraagt 25 cM. De mannelijke Los kan een gewicht van 30, ja zelfs, naar men mij in Noorwegen verzekerde, van 45 KG. bereiken. Dit dier heeft een buitengewoon krachtigen, ineengedrongen lichaamsbouw, stevige ledematen en forsche teenen, gewapend met scherpe, groote klauwen, welke aan die van den Tijger of van den Luipaard herinneren; het blijkt dus reeds na een oppervlakkig onderzoek, dat hij een zeer krachtig roofdier is. De ooren zijn tamelijk lang en loopen spits uit; aan den top zijn zij voorzien met een kwastvormigen bundel van zwarte, dicht bijeen geplaatste, overeindstaande haren van 4 cM. lengte. Op de dikke bovenlip staan verscheidene reeksen van stijve en lange tastborstels. De dichte, zachte beharing verlengt zich in ’t aangezicht tot een aan weerszijden spits toeloopenden, naar beneden gerichten baard, die, in vereeniging met de haarkwastjes op de ooren, aan den kop van den Los een zeer eigenaardig voorkomen verschaft. De kleur der bovendeelen is roodachtig grijs met wit gemengd, op kop, hals en rug en aan de zijden dicht bezet met roodbruine of grijsbruine vlekken; de onderzijde van het lichaam, de binnenzijde der pooten, het voorste deel van den hals, de lippen en de randen van de oogspleet zijn wit. Het aangezicht is roodachtig, het oor van binnen wit, aan de rugzijde bruin en zwart behaard. Bijna de geheele achterste helft van den overal even lang en even dicht behaarden staart is zwart van kleur. De voorste helft is geteekend met onduidelijke ringen, die aan de onderzijde niet doorgaan en aan de bovenzijde uitvloeien. De vacht is in den zomer kortharig en rossig van kleur, in den winter min of meer witachtig grijs en langharig. Er bestaan echter talrijke afwijkingen van kleur en teekening. Het wijfje verschilt, naar het schijnt, altijd van het mannetje door een rossere kleur en minder duidelijke vlekken; de pasgeboren jongen zijn witachtig.

Hoewel de Los aan de ouden bekend was, werd hij in Rome veel zeldzamer vertoond dan de Leeuw en de Luipaard, omdat deze dieren gemakkelijker levend gevangen konden worden. Onder Pompejus werd een Los uit Gallië levend naar Rome gebracht. Van het leven dezer dieren in de vrije natuur was destijds, naar het schijnt, niets bekend; allerlei bijgeloovige verhalen over hen vonden geloovige hoorders. In de godenleer van de oude Germanen speelde de Los ongeveer dezelfde rol als de Kat, want waarschijnlijk was niet deze, maar gene aan Freya gewijd en bestemd om haar wagen te trekken.

Nog in de Middeleeuwen was de Los een vaste bewoner van alle groote bosschen van Duitschland; hij werd algemeen gehaat en fel vervolgd. In het einde van de 15e eeuw werd hij in Pommeren als het gevaarlijkste, inheemsche Roofdier beschouwd. Na dezen tijd is het aantal dezer dieren in Duitschland voortdurend afgenomen; tegenwoordig kan men ze voor uitgeroeid houden. In Beieren, dat aan de Alpen — aan het ook nu nog door den Los bewoonde gebied — grenst, was hij tot in het einde van de vorige en het begin van deze eeuw een aan alle jagers van beroep welbekende verschijning. De laatste Los werd in 1838 in het district Rottenschwangen buit gemaakt. In het Thuringer Woud werden tusschen de jaren 1793 en 1796 nog vijf Lossen gedood, in deze eeuw, voor zoover mij bekend is, slechts twee. De laatste Westfaalsche Los verloor in 1745 het leven; in den Harz werden in de jaren 1817 en 1818 de beide laatste gedood; in geheel Duitschland (met uitzondering van de Pruisische gewesten die aan de Russische grenzen gelegen zijn) vindt men er geen meer sedert 1845. In de genoemde grensdistricten en in de Duitsch-Oostenrijksche landen is het anders gesteld. Daar worden bijna ieder jaar nog een of meer Lossen waargenomen, hier heeft men er nog in den laatsten tijd zoovele gedood, dat er van uitroeiing dezer dieren nog geen sprake kan zijn. In Zwitserland komt hij, volgens Tschudi, niet vaker voor dan de Wilde Kat; vóór 30 jaar was hij echter ook hier geen zeldzaam verschijnsel, zooals blijkt uit het feit, dat er in Bünden alleen in één jaar 7 of 8 stuks gedood werden. Tegenwoordig is hij ook hier zeer zeldzaam, ofschoon hij nog wel voorkomt in de hoog gelegen wouden van de Walliser, Tessiner en Berner gebergten, evenals ook in de Urner, Glarner, Oescher en Boexer Alpen. Over het voorkomen van dit dier in Tirol ontbreken mij de berichten; van het oostelijk gedeelte der Alpen kan ik echter dit zeggen, dat hij reeds in Krain nog geregeld, in Karinthië nu en dan voorkomt.

Het gebied, dat thans nog door ons Roofdier bewoond wordt, neemt naar ’t Oosten een