Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/204

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

rooftocht meer dan 100 Schapen en Geiten om ’t leven. Geen wonder dus, dat jager en herder even begeerig zijn, den Los zoo schielijk mogelijk onschadelijk te maken.

Gevangene dieren van deze soort behooren ontegenzeggelijk tot de aantrekkelijkste van alle Katten. Vooral als zij in hunne jeugd een zorgvuldige opvoeding genoten, is hun gedrag allerliefst. Loewis verhaalt van een tammen, jongen Los, dien hij bezat, o. a. het volgende: “Weinige maanden waren voldoende om het dier zijn naam Lucy goed te leeren onderscheiden. Uit de vele namen van Honden, die gedurende de jacht door mij genoemd werden, herkende de Los steeds zijn eigen naam, en gaf met voorbeeldelooze gehoorzaamheid gevolg aan mijn roepstem. Zonder dat zulks mij eenige moeite had gekost, was hij zoo fijn gedresseerd, dat hij de wildste en hartstochtelijkste (maar hem verboden) jacht op Hazen, Vogels of Schapen onmiddellijk staakte, zoodra mijn dreigende roepstem door hem gehoord werd; hij ging dan beschaamd op den grond liggen, en hoopte als een Hond op genade voor recht. Spoedig leerde hij de beteekenis van het geweerschot voor de bevrediging van zijn eetlust kennen. Als hij te veraf was om mijn stem te hooren, dan was een geweerschot voldoende om hem ten spoedigste bij mij terug te doen komen.

Lucy maakte vrijwillig, en zelfs met genoegen, alle jachten in den herfst mede, waarbij zij mij op den voet volgde. Als een arme Haas voor ons opsprong, of wanneer er een, die door de Honden vervolgd werd, in de nabijheid kwam, dan maakte onze Los er dadelijk jacht op. Ondanks zijn onbeschrijfelijke opgewondenheid bij zulk een gelegenheid behield hij steeds zooveel overleg om de verhouding tusschen zijn snelheid en volharding en die van den Haas, schijnbaar althans behoorlijk te schatten. Hij luisterde alleen naar de stem van mijn broeder of de mijne, en toonde alleen tegenover ons zelfbedwang en achting. Als wij beiden den geheelen dag van huis waren, kon niemand over Lucy baas worden; ieder onbedachtzaam Hoen, iedere zorgelooze Eend moest het ontgelden. Bij ’t invallen van de duisternis, klom zij op het dak van het woonhuis, waar zij tegen een schoorsteen geleund rust nam. Zoodra laat in den avond of in den nacht de wagen voor de overdekte ingangstrap van het huis stilhield, was het dier met eenige sprongen van het dak van het huis op dat van den trap overgegaan; riep ik nu zijn naam, dan liet het aanhankelijke schepsel zich bij de pilaren naar beneden glijden en vloog met groote, boogvormige sprongen op mij toe, vleide zich aan mijn borst, sloeg zijne krachtige voorpooten om mijn hals; luid spinnend, duwde en wreef het op de wijze van een Kat zijn kop tegen mij aan; het volgde ons daarna in de kamer, waar het op de sofa, op het bed of bij de kachel zijn nachtleger opsloeg.

“Eens moesten mijn broeder en ik gedurende een geheele week afwezig zijn. In dien tijd was de Los menschenschuw, zocht ons onder luid geschreeuw met groote onrust; reeds den tweeden dag verliet hij het huis, en koos een naburig berkenboschje tot verblijfplaats, zonder voedsel uit de keuken te ontvangen. Alleen des nachts keerde hij nog naar zijn gewone standplaats bij den schoorsteen van het huis terug. Zijn vreugde, toen wij na zoo lange afwezigheid des nachts terugkeerden, kende geen grenzen. Als een bliksemstraal schoot hij van het dak naar beneden aan mijn hals, en drukte ons, nu eens mij, dan weer mijn broeder, bijna plat met zijne innige liefkoozingen. Van stonde af keerde hij tot zijn gewone levenswijze terug, en leverde ’s avonds weder aan alle aanwezigen een even zeldzaam als boeiend schouwspel op, zooals hij daar, achter den rug van mijn moeder, die ons iets voorlas, lang uitgestrekt op de sofa lag, familiaar weg spinnend, gapend of duchtig snorkend.”

Niet alleen wegens de groote schade, die de Los onder het vee of het wild aanricht, maar ook om het genoegen dat dit jachtbedrijf aan iederen liefhebber verschaft, wordt de Los overal waar hij voorkomt, met ijver vervolgd; vooral in het Noorden worden geregeld iederen winter Lossenjachten gehouden.

Het vel van den Los is een zeer gezochte pelterij; de Skandinavische vellen worden als de mooiste beschouwd en tegenwoordig met ƒ 15 à ƒ 18 betaald; 25 jaar geleden was de prijs tweemaal zoo hoog. Siberië levert ieder jaar ongeveer 15000, Rusland en Skandinavië ongeveer 9000 van deze vellen. Die van oostelijk-Siberië komen uitsluitend in den Chineeschen handel, en worden door de volken aan den Mongoolschen grens zeer begeerd.

Het vleesch van den Los werd en wordt overal als welsmakend geroemd. Kobell bericht, dat gedurende het Weener congres in 1814 dikwijls Lossen-gebraad op den vorstelijken disch prijkte, en ook, dat in 1819 den koning van Beijeren de raad gegeven werd om tegen duizeligheid Lossen-vleesch te eten. Ook in Lijfland wordt het Lossenvleesch door vele menschen niet alleen uit den minderen, maar ook uit den gegoeden stand gaarne gegeten en zelfs gezocht. Het is malsch en licht van kleur, gelijkt op het beste kalfsvleesch en heeft geen onaangenamen wildsmaak, het komt in dit opzicht nog het meest met dat van den Woerhaan overeen.