Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/222

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

meer dan 12 millioen gulden, in de handen van Europeanen en op de markt; hierbij komen nog die, welke door de Indiaansche en Aziatische jagers zelf gebruikt worden. Verscheidene Indiaansche en Mongoolsche stammen leven bijna uitsluitend van de opbrengst van de jacht op pelsdieren, waaronder de Marters, gelijk algemeen bekend is, den eersten rang innemen. Duizenden van Europeanen vinden in den pelterijhandel een middel van bestaan. Zeer uitgestrekte, vroeger onbekende gewesten zijn door de pelsjagers bekend geworden.

Bij onze beschrijving beginnen wij natuurlijkerwijze met het geslacht der Eigenlijke Marters en laten hierop volgen de overige geslachten, welker leden, evenals de Eigenlijke Marters, teengangers zijn. Zij vormen de eerste onderfamilie, die der Marters (Martidae). Een tweede onderfamilie bestaat uit den Das en de overige zoolgangers der familie — de Dassen (Melidae). Een derde onderfamilie eindelijk omvat de Vischotter en zijne verwanten, die wij onder den naam Zwemvoetigen van de overige Marterachtige dieren onderscheiden — de Otters (Lutridae).

Den eersten rang in de eerste onderfamilie kennen wij toe aan den Edelmarter en de overige leden van zijn geslacht (Mustela). Deze zijn middelmatig groote, slank gebouwde, in de lengte gerekte, kortpootige dieren met een naar voren smal uitloopenden kop, een toegespitsten snuit, dwars geplaatste, vrij korte, bijna driezijdige, aan den top zwak afgeronde ooren en middelmatig groote, levendige oogen; zij hebben vijfteenige voeten, die scherpe klauwen dragen, een middelmatig langen staart, aarsklieren die een muscus- of bisamachtige vloeistof afscheiden en een langharige, zachte vacht.

De Marter, Edelmarter of {[sp|Boommarter}} (Mustela martes) is een even fraai als vlug Roofdier van 55 cM. lichaamslengte, zonder den 30 cM. langen staart. De vacht is aan de bovendeelen donkerbruin, aan den snuit vaal, aan het voorhoofd en de wangen lichtbruin, aan de zijden van den romp en aan den buik geelachtig, aan de pooten zwartbruin en aan den staart donkerbruin. Een smalle, donkerbruine streep strekt zich onder de ooren uit. Tusschen de achterpooten bevindt zich een roodachtig gele, donkerbruin gezoomde vlek, die zich soms als een vuil gele streep tot aan de keel voortzet. De keel en de onderzijde van den hals zijn fraai dooiergeel gekleurd; deze “bef” is het meest bekende kenteeken van het dier. De dichte, zachte en glanzige beharing bestaat uit tamelijk lange, stijve bovenharen en korte, fijne wolharen, die aan het benedeneinde roodachtig grijs, aan de spits licht roodachtig geel gekleurd zijn. Op de bovenlip staan 4 rijen snorharen; bovendien zijn er nog eenige borstelharen onder de ooghoeken, onder de kin en aan de keel. In den winter is de algemeene kleur donkerder dan in den zomer. Het wijfje onderscheidt zich van het mannetje door de bleekere kleur van den rug en de minder duidelijke “bef”. Bij de jonge dieren zijn de keel en de onderzijde van den hals lichter van kleur.

Het vaderland van den Edelmarter strekt zich uit over alle met bosch begroeide gewesten van de noordelijke helft van de Oude Wereld. In Europa vindt men hem in Skandinavië, Rusland, Engeland, Duitschland, Nederland, Frankrijk, Italië en Spanje, in Azië tot aan den Altaï, zuidwaarts tot aan de bronnen van den Jenisséi. “Ook ons land schijnt hij in zijn geheele uitgestrektheid te bewonen,” zegt Schlegel, “ofschoon hij door het uitroeien van bosschen en de talrijke bevolking op de meeste plaatsen thans niet meer of slechts hoogst zeldzaam voorkomt.” Volgens Staring komt hij in ons land tegenwoordig alleen in de bosschen van “de graafschap” Zutfen voor. Volgens Ritzema Bos wordt hij ook nog op den Doornwerth (en vermoedelijk ook in de bosschen van de Veluwe en van Limburg) aangetroffen. Zooals te begrijpen is bij zulk een uitgestrekt verbreidingsgebied, merkt men bij deze soort niet onbelangrijke variaties op, vooral wat de kleur van de vacht betreft. De grootste Edelmarters wonen in Zweden, de vacht van deze dieren is nog eens zoo dicht en zoo langharig als die van onze Marters, haar kleur is grijzer. Onder de inheemsche komen meer geelachtig bruine, dan donkerbruine exemplaren voor; de laatstgenoemde vindt men vooral in Tirol, en gelijken dikwijls bedriegelijk op de Amerikaansche Sabeldieren (p. 186). De Edelmarters van Lombardije zijn bleek grijsachtig bruin of geelachtig bruin, die van de Pyreneeën zijn groot en forsch, maar eveneens licht van kleur, die uit Macedonië en Thessalië zijn middelmatig groot, maar donker.

De Edelmarter bewoont de bosschen met breedgebladerde boomen, zoowel als die met naaldboomen; hoe eenzamer, dichter en donkerder de bosschen zijn, des te veelvuldiger komt hij er in voor. Hij is een echt boomdier en klimt zoo meesterlijk, dat geen ander Roofdier hem hierin overtreft. Holle boomen, verlaten nesten van Wilde Duiven, Roofvogels en Eekhoorntjes kiest hij het liefst tot verblijfplaats; zelden neemt hij zijn toevlucht tot rotsspleten. Op zijn