Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/225

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

en West-Azië, vooral Palestina, Syrië en Klein-Azië, zijn het vaderland van deze soort. Hij bewoont echter ook Afghanistan en een groot deel van den Himalaja, dezen echter slechts op hoogten van niet minder dan 1600 M. In de Alpen begeeft hij zich gedurende den zomer tot boven den dennengordel, in den winter keert hij gewoonlijk naar lagere streken terug. In Nederland is hij, naar het schijnt, tegenwoordig zeldzaam. Toch is hij in verscheidene provinciën, Noord-Brabant, Zeeland, Noord- en Zuid-Holland, Overijsel, Friesland en Groningen waargenomen. In Noord-Brabant wordt hij Fluwijn genoemd. In de andere landen van ons werelddeel komt de Steenmarter bijna overal veelvuldiger voor dan de Edelmarter; hij nadert de woningen der menschen veel meer, dan deze doet; men mag zelfs zeggen, dat hij zich bij voorkeur in dorpen en steden ophoudt. Eenzaam gelegene schuren, stallen, tuinhuizen, oude muren, steenhoopen en groote houtmijten in de nabijheid van dorpen worden geregeld door dezen gevaarlijken vijand van het tamme gevogelte bewoond.

De levenswijze en de gewoonten van den Huismarter stemmen in vele opzichten overeen met die van den Edelmarter. Hij is een meester in alle lichaamsoefeningen, even levendig, behendig en vaardig, even moedig, listig en moordzuchtig als zijn stamgenoot; hij klimt zelfs bij gladde boomstammen naar boven, kan groote sprongen maken, zwemt met gemak, is in het sluipen ervaren en kan door zeer nauwe openingen heendringen.

Steenmarter of Fluwijn (Mustela foina). 1/6 v.d. ware grootte.


Zijn voedsel is ongeveer hetzelfde als dat van den Edelmarter; toch richt hij veel meer schade aan dan deze, omdat hij veel meer gelegenheid vindt, den mensch merkbare verliezen toe te brengen. Waar hij er maar eenigszins kans toe ziet, dringt hij in de woningen der tamme Vogels door en moordt hier met onverzadelijke bloedgierigheid. Bovendien vangt hij Muizen, Ratten, Konijnen, allerlei Vogels en, als hij in het bosch jaagt, Eekhoorntjes, Kruipende Dieren en Amphibiën. Eieren schijnen voor hem een lekkernij te zijn; ook zijn allerlei soorten van vruchten — kersen, pruimen, peren, kruisbessen, lijsterbessen, hennep en dergelijke — naar zijn smaak. Goede ooftsoorten moet men voor hem beveiligen; dit kan op een eenvoudige wijze geschieden, door, zoodra men rooverijen van dit dier opmerkt, den stam van den vruchtboom met tabakssap of petroleum te besmeren. De hoenderhokken en duiventillen moet men echter voor hem vrijwaren door ze goed te sluiten; men moet er op bedacht zijn, dat hij door iedere opening, voor zoover deze half zoo groot is als een rattengat, binnen dringen kan.

Zelfs exemplaren, die gevangen worden, als zij reeds oud zijn, laten zich tot op zekere hoogte temmen. — In Schotland heeft men eens op de volgende vreemde wijze een Steenmarter