Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/228

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

in het zuiden van Afghanistan daarentegen, vooral in de omstreken van Kandahar, algemeen is. In levenswijze komen beide soorten geheel met elkander overeen.

De Bunzing bewoont de geheele gematigde gordel van Europa en Azië, breidt zich zelfs over een deel van den noordelijken gordel uit. Met uitzondering van Lapland en Noord-Rusland is hij in ons werelddeel overal te vinden. In Azië vindt men hem in Tartarije en tot aan de Kaspische Zee en verder oostwaarts door Siberië tot in Kamtschatka. Iedere plaats, die hem voedsel belooft, is hem welgevallig; daarom bewoont hij zoowel de vlakte als het gebergte, het bosch zoowel als het veld; bij voorkeur vestigt hij zich echter in de nabijheid van menschelijke woningen, vooral van groote boerderijen. Zijn leger slaat hij op in holle boomen, rotsspleeten, oude vossenholen en andere gaten in den grond, die hij toevallig ontmoet; ingeval van nood graaft hij zelf een hol. Op het bouwland verschuilt hij zich in het hooge koorn; bovendien houdt hij zich op in de nabijheid van rotsen, tusschen paalwerk, onder bruggen, in bouwvallen, tusschen de wortels van groote boomen, in dichte hagen: kortom hij neemt iedere woonplaats voor lief. Waar dit mogelijk is, laat hij liever andere dieren voor zich graven en woelen, dan dat hij dit zelf doet. Gedurende den winter slaat hij ten onzent graag zijn verblijf op in onbewoonde gebouwen, schuren en stallen, op zolders en zelfs onder hoopen steenen of hout. Hij komt dan op het jachtveld van de Huiskat of van den Huismarter, evenals deze legt ook hij van tijd tot tijd bezoeken af aan de hoenderhokken, duiventillen, konijnenhokken en andere woonplaatsen van huisdieren, waar hij tot groot verdriet van den mensch een bedrijvigheid openbaart, die door zijne familie-genooten wel geëvenaard maar niet overtroffen kan worden. Daarentegen bewijst hij ons ook diensten. Als de boeren goed voor de veiligheid van hunne hoenderen, duiven en konijnen zorgen, hebben zij alle reden om over hun gast tevreden te zijn, daar deze een onnoemelijk aantal Ratten en Muizen vangt, de omgeving van bewoonde plaatsen volkomen bevrijdt van Slangen, en hiervoor niets anders verlangt dan een warme ligplaats in den donkersten hoek van den hooizolder. Er zijn streken, waar men hem even gaarne ziet, als men hem op andere plaatsen haat.

Wij zijn het volkomen eens met Lenz, waar hij iederen boschbeambte aanraadt den Bunzing in het bosch te sparen, want hier is hij geheel op zijn plaats; hier doet hij ontegenzeggelijk veel goeds door het vangen van Muizen en vooral ook van Adders, terwijl hij zich op het bouwland bovendien zeer verdienstelijk maakt door het dooden van Hamsters. De genoemde onderzoeker nam vele proeven met half-volwassen Bunzingen, waaruit bleek, dat zij levende en doode Kikvorschen, Hazelwormen, Ringslangen en Adders gretig verslinden, zich om de beten van de Adders niet bekommeren en er ook geen nadeel van ondervinden.

De Bunzing voedt zich als een echte Marter met alle dieren die hij overmeesteren kan. Hij is een vreeselijke vijand van alle Mollen, Veld- en Huismuizen, Ratten en Hamsters, zelfs van de Egels, alsook van alle Hoenderachtigen en Eenden. Kikvorschen zijn, naar het schijnt, een lievelingsgerecht voor hem; hij vangt ze dikwijls in groote menigte en verzamelt ze bij dozijnen in zijn woning. In geval van nood is hij tevreden met Sprinkhanen en Slakken. Hij gaat echter ook op de vischvangst; bij beken, meren en vijvers beloert hij de Visschen, springt hen plotseling in ’t water na, duikt en grijpt ze zeer behendig; naar men zegt, haalt hij ze ’s winters zelfs van onder het ijs weg. Bovendien houdt hij veel van honig en vruchten. Zijn bloedgierigheid is groot, hoewel minder dan die van de eigenlijke Marters. In den regel doodt hij niet al het gevogelte, dat hij in het door hem bezochte hok vindt, maar neemt het eerste het beste dier en gaat er mede naar zijn schuilhoek; hij herhaalt echter zijn bezoek verscheidene malen in één nacht. Meer dan andere soorten van Marters heeft hij de gewoonte om voorraad bijeen te brengen; niet zelden vindt men in zijne woningen een niet gering aantal Muizen, Vogels, eieren en Kikvorschen bijeengeborgen. Door zijn behendigheid valt het hem niet moeielijk, zich altijd van proviand te voorzien.

Alle bewegingen van den Bunzing zijn behendig, vlug en doelmatig. Meesterlijk verstaat hij de kunst om een prooi te besluipen en haar met een sprong te bereiken; met gemak loopt hij langs den dunsten stang, klimt, zwemt, duikt, kortom maakt gebruik van allerlei middelen om tot zijn doel te geraken. Bovendien is hij sluw, listig, behoedzaam, voorzichtig en wantrouwend, zeer scherpzinnig en, als hij aangevallen wordt, moedig, opvliegend en onmiddellijk gereed om te bijten, dus volkomen geschikt tot het verrichten van rooverijen op groote schaal. Op de wijze der Stinkdieren verdedigt hij zich in geval van nood door het uitspuiten van een stinkende vloeistof; dikwijls schrikt hij hierdoor de hem vervolgende Honden af. Hij is ongeloofelijk taai van leven. Zonder er nadeel door te lijden springt hij