van een aanzienlijke hoogte naar beneden, verdraagt bijna onverschillig allerlei pijnen en bezwijkt eerst na buitengewoon zware verwondingen.
Twee maanden na de paring, gewoonlijk in Mei, werpt het wijfje in een hol, nog liever in een houtmijt of in een hoop takkebossen, 4 à 5, soms ook 6 jongen. De moeder houdt zeer veel van hare kinderen, verzorgt ze op de liefderijkste wijze, en beschermt ze tegen iederen vijand; soms zelfs gaat zij, bij het vernemen van gedruisch in de nabijheid van het nest, ook zonder aangevallen te zijn, op menschen af. Na een kindsheid, die ongeveer 6 weken duurt, gaan de jongen met de ouden op roof uit; na afloop van de derde maand zijn zij bijna even groot geworden als deze.
Men kan jonge Bunzingen door zoogende Katten laten voeden om ze daarna te temmen; men beleeft echter niet veel genoegen van hen, omdat de aangeboren bloeddorst zich mettertijd openbaart en zij dan ieder weerloos huisdier vervolgen. Tegenover menschen gedragen de in vrijheid levende Bunzingen zich soms zeer vermetel; voor kinderen kunnen zij zelfs gevaarlijk worden.

Bunzing (Putorius foetidus). 2/3 v.d. ware grootte.
“Te Verna, een dorp in Keur-Hessen,” verhaalt Lenz, “had een zesjarige knaap zijn broertje in de nabijheid van een kanaal op den weg neergezet, om het met minder moeite te kunnen oppassen. Plotseling kwamen drie Bunzingen te voorschijn en vielen op het kind aan. De eene beet zich in den nek vast, de andere aan de zijde van het hoofd en de derde aan het voorhoofd. Het kind begon luid te schreeuwen; de knaap wilde het te hulp komen, maar van het kanaal kwamen nog andere Bunzingen toegeloopen, die hem wilden aanvallen. Gelukkig kwamen twee mannen van het veld de kinderen te hulp: zij sloegen twee van de Bunzingen dood, waarna de overige de vlucht namen.”
Wegens de aanzienlijke schade die het dier aanricht, wordt het bijna overal met ijver vervolgd. Allerlei vallen en wapenen doen hierbij dienst. Op plaatsen waar men zeer veel last van Muizen heeft, zou het beter zijn, den Bunzing zijn gang te laten gaan, en de moeite die de vangst van dit dier veroorzaakt, liever aan te wenden tot het herstellen en beter sluiten van de hoenderhokken. — “Sommige lieden,” schrijft Rombouts, “maken er hun vak van om Bunzings te vangen, zij nebben daarin een bijzondere handigheid gekregen; met een langen stok gewapend en van een paar Honden vergezeld, loopen zij de boerenerven af en het gebeurt menigmaal, dat zij onder houtmijten en hooiklampen een Bunzing weg halen, vóórdat de boer gemerkt heeft, dat hij zulk een roover in zijn nabijheid had.