Zulk een jacht werpt nog al voordeelen af, want de huid wordt soms met zes gulden betaald.”
Het vel van den Bunzing levert een warm en duurzaam pelswerk, dat echter wegens zijn aanhoudenden en werkelijk onverdragelijken reuk veel minder geschat wordt, dan het wegens zijn dichtheid verdient. Van de lange staartharen maakt men penseelen; het vleesch is volkomen onbruikbaar en wordt zelfs door de Honden versmaad.
Het is tegenwoordig voor alle natuuronderzoekers een uitgemaakte zaak, dat het Fret (Putorius furo) een door gevangenschap en temming eenigszins veranderde afstammeling van den Bunzing is. Het Fret is reeds sinds overouden tijd bekend, hoewel alleen in getemden toestand. Aristoteles vermeldt het onder den naam Iktis, Plinius noemt het Viverra. Op de Balearische eilanden hadden zich eens de Konijnen zoo sterk vermenigvuldigd, dat de bewoners keizer Augustus om hulp smeekten. Hij zond eenige “Viverrae” over, die zich zeer verdienstelijk maakten. Zij werden in de gangen der Konijnen gelaten en dreven de verderfelijke Knaagdieren er uit en in het net hunner vijanden.
Het Fret gelijkt wat gestalte en grootte betreft, op een Bunzing. Wel is het iets kleiner en schraler, maar dit is bij vele dieren het geval, die geheel van den mensch afhankelijk zijn en dus slechts in den gevangen staat leven. De lichaamslengte bedraagt 45 cM., zonder den 13 cM. langen staart. Dit is dezelfde verhouding als bij den Bunzing voorkomt, die ook door den bouw van het geraamte niet noemenswaard van het Fret verschilt. Gewoonlijk ziet men het Fret in Europa alleen als “Kakkerlak” of Albino, d. w. z. witachtig geel, van onderen iets donkerder van kleur en met lichtroode oogen. Slechts weinige exemplaren hebben een donkerder en daardoor een echt Bunzingachtig voorkomen. Met zekerheid kan men zeggen, dat men tot dusver nog geen doorgaand verschil tusschen den Bunzing en het Fret heeft kunnen vinden, en dat alle redenen die aangevoerd zijn, om te bewijzen dat het Fret een afzonderlijke soort is, geen steek houden. Deze meening was vooral gegrond op de grootere gevoeligheid en kouwelijkheid, op de zachtaardigheid en grootere geschiktheid om getemd te worden van het Fret in tegenstelling met de reeds genoemde eigenschappen van den Bunzing. Mijns inziens bewijst echter dit feit even weinig als de overige bewijsgronden, want alle Albinos zijn zwakkelijke, gevoelige wezens. Eenige natuuronderzoekers hebben de meening uitgesproken, dat het Fret uit Afrika afkomstig zou zijn, en zich vandaar over Europa verbreid zou hebben; zij waren echter niet bij machte om voor deze meening bewijzen aan te voeren. — Het Fret komt dus alleen in gevangenschap voor en dient bij ons alleen voor de Konijnenjacht; de Engelschen gebruiken het echter ook voor de Rattenjacht, en achten de Fretten, die “Rattendooders” genoemd worden, veel hooger dan die, welke alleen voor de Konijnenjacht kunnen dienen. Deze dieren worden in een kist of een kooi geborgen; men moet ze dikwijls versch hooi en stroo geven en ’s winters tegen de koude beschutten. Gewoonlijk worden zij met wittebrood en melk gevoed; het is voor hun gezondheid echter veel beter, dat men hun malsch vleesch van pas gedoode dieren geeft. Volgens de ervaringen van Lenz kan men ze met Kikvorschen, Hagedissen en Slangen zeer goedkoop in ’t leven houden; want zij houden veel van allerlei Kruipende Dieren en Amphibiën.
In aard komt het Fret met den Bunzing overeen met dit verschil, dat het niet zoo opgewekt is als deze; zijne bloedgierigheid en rooflust zijn echter niet geringer dan die van zijn in ’t wild levenden broeder. Zelfs als het reeds nagenoeg verzadigd is, valt het als een razende de Konijnen, Duiven en Hoenderen aan, pakt ze in den nek en laat ze niet eerder los, voordat alle beweging van de prooi ophoudt. Ongeloofelijk gretig wordt het bloed, dat uit de wonden vloeit, opgelekt en ook de hersenen zijn, naar het schijnt, een lekkernij. Amphibiën nadert deze roover met grootere voorzichtigheid dan andere dieren, en van de gevaarlijkheid van de Adder schijnt hij niet onbewust te zijn. Ringslangen en Hazelwormen grijpt hij, volgens Lenz, zonder eenigen schroom aan, ook als hij deze dieren voor de eerste maal ziet; hij pakt ze, ondanks hunne hevige kronkelingen, bijt hun de wervelkolom stuk en verslindt ze dan gedeeltelijk. Uiterst voorzichtig nadert hij echter de Adder en tracht dit valsch gedierte in ’t middelste gedeelte van ’t lichaam te bijten. Het Fret wordt door den beet van de Adder niet gedood, maar wel ziek en lusteloos.
Zelden gelukt het, een Fret volkomen te temmen; er zijn echter voorbeelden van bekend, dat enkele hun meester als een Hond op den voet volgden en zonder schroom los loopen konden. De meeste maken, als zij uit hun kooi ontsnappen kunnen, een ander gebruik van hun vrijheid; zij begeven zich naar ’t bosch, vestigen zich in een Konijnenhol, dat hun gedurende den zomer als leger en toevluchtsoord dient, en zijn na verloop van korten tijd den menschen geheel ontwend. Als zij niet weder gevangen worden,