ruimte tusschen deze en de oogen, die met een kleinen ring omgeven waren, een kort stuk vóór de zwarte helft van den staart, en de geheele onderzijde van de voorste staarthelft, de geheele voet alsmede de binnenzijde van voor- en achterzijde van de dijen. Den 19den waren ook de ooren bruin, op een klein deel van den onderrand na. Het haarkleed is op geen enkele plaats borstelig geweest, behalve aan het voorhoofd, waar verscheidene witte haren bij elkander zitten en kleine vlekken vormen. Eerst groeiden de donkere haren alle tegelijk naar buiten, en, voordat zij gelijke hoogte hadden als de witte, waren deze reeds uitgevallen. Waarschijnlijk heeft de eigenlijke haarwisseling in de eerste helft van de maand Maart plaats; na den 19den Maart heeft het bruine haarkleed zich eenvoudig meer uitgebreid en allengs het witte verdrongen.”
De Hermelijn heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied in het noordelijke faunistische rijk van de Oude Wereld. Hij bewoont geheel Europa, voor zoover het ten noorden van de Pyreneeën en van den Balkan gelegen is; bovendien komt hij in Noord- en Middel-Azië tot aan de oostkust van Siberië voor. In Klein-Azië, Perzië en Afghanistan heeft men hem eveneens waargenomen. In geen dezer landen is hij zeldzaam; zoowel in ons land als in Duitschland is bij een der meest veelvuldige Roofdieren.
Evenals de Wezel neemt ook de Hermelijn elk gewest, ja zelfs iedere plaats voor lief; hij heeft er slag van, zich overal op de aangenaamst mogelijke wijze in te richten. Gaten in den grond, gangen van Mollen en Hamsters, rotskloven, gaten en spleten in muren, steenhoopen, boomen, onbewoonde gebouwen en honderd andere dergelijke gelegenheden verschaffen hem een ligplaats en een schuilplaats gedurende den dag, dien hij voor een groot deel in zijn woning verslaapt, ofschoon het volstrekt geen zeldzaamheid is, dat hij bij helder zonlicht in de vrije natuur rondloopt en zich driest aan de blikken der menschen blootstelt. Zijn eigenlijke jachttijd vangt echter eerst met de schemering aan. Reeds tegen den avond begint hij zich te roeren. Wie omstreeks dezen tijd de voor Hermelijnen geschikte plaatsen voorbijgaat, zal, zonder te zoeken, weldra een dezer scherpzinnige en schrandere dieren opmerken. Zonder overdrijving mag men den Hermelijn een meester in alle lichaamsoefeningen noemen. Hij loopt en springt uitmuntend, klimt voortreffelijk en zwemt, als ’t noodig is, snel en onbeschroomd over een breed water.
De geestesgaven van den Hermelijn zijn in volkomen harmonie met zijne lichamelijke bekwaamheden. Hij is even moedig als zijn kleine stamgenoot; een onbedwingbare moordlust en de bloedgierigheid, die aan alle leden van zijn geslacht eigen is, maken de grondtrekken van zijn karakter uit.
De Hermelijn maakt, om zich voedsel te verschaffen, jacht op alle soorten van kleine Zoogdieren en Vogels, die hij door list overweldigen kan, en waagt niet zelden een aanval op dieren, die hem in lichaamsgrootte aanmerkelijk overtreffen. Hij leeft aanhoudend op voet van oorlog met de Muizen, Hamsters, Mollen en Konijnen, met de Musschen, Leeuweriken, Duiven, Hoenderen en Zwaluwen, die hij uit hunne nesten haalt, met de Slangen en Hagedissen; zelfs de Hazen zijn niet veilig voor hem.
Wie een Hermelijn kan bespieden bij een van zijne liefste jachtbedrijven, n.l. bij het vervolgen van een Waterrat, zal een alleraardigst schouwspel genieten. Het vlugge Knaagdier wordt door den onverbeterlijken roover te water en te land nagespoord en delft steeds het onderspit, hoe ongunstig het eigenlijke element van deze Ratten voor den Hermelijn schijnbaar is. Het Roofdier begint met alle holen te besnuffelen. Zijn fijne reuk verraadt hem zonder fout, of een dezer woningen op dit oogenblik als rustplaats dient voor een of twee Ratten. Zoodra de Hermelijn een hol ontdekt heeft, dat hem buit belooft, gaat hij er zonder aarzeling in. De Rat weet natuurlijk geen beteren raad, dan hals over kop te water te gaan; zij is voornemens door het rietbosch te zwemmen, maar dit beveiligt haar niet voor haar onvermoeiden vervolger en ergsten vijand. Den kop en den nek boven het water houdend, zooals een zwemmende Hond pleegt te doen, glijdt de Hermelijn met de behendigheid van den Vischotter door het hem eigenlijk vreemde element en vervolgt met zijn bekende volharding de vluchtende Rat. Deze is verloren, als niet een toeval haar redt.
Men vangt den Hermelijn in vallen van allerlei soort, dikwijls ook in rattenvallen, waarin hij bij toeval geraakt. Jong uit het nest genomen Hermelijnen worden zeer tam en verschaffen hun verzorger veel genoegen; men zegt dat sommige zoo tam worden, dat men hun toestaan kan, naar verkiezing te komen en te gaan, en dat zij hun meester als een Hond volgen. Maar ook met op lateren leeftijd gevangen dieren gelukt het temmen soms.
“Eenige dagen voor Kerstmis 1843,” verhaalt Grill, “kreeg ik een mannelijken Hermelijn, die in een houtmijt gevangen was. Hij droeg zijn zuiver winterkleed. De zwarte ronde oogen, de roodbruine neus en de zwarte staartspits staken sterk af bij de sneeuw-