Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/238

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

wist men van de levenswijze dezer beide dieren slechts zeer weinig af, en ook thans nog zijn de bekend geworden onderzoekingen verre van volledig, althans wat de Europeesche soort betreft. Aan de vriendelijkheid van een jachtliefhebber uit de omstreken van Lubeck dank ik een belangrijke uitbreiding van onze bekendheid met den Nerts; over den Mink hebben Audubon en de prins von Wied mededeelingen gedaan.

De Nerts, die ook wel Kreeftotter, Steenhond, Waterwezel en bij Lubeck Menk of Watermenk (Putorius lutreola) wordt genoemd, bereikt een lengte van 50 cM., waarvan ongeveer 14 cM. op den staart komen. Het lichaam is gerekt en slank; het rust op korte pooten, en gelijkt over ’t geheel genomen op dat van den Vischotter; de kop is echter nog slanker dan bij dit verwante dier. De voeten gelijken op die van den Bunzing, maar alle teenen zijn, zooals reeds gezegd is, door vliezen met elkander verbonden. De glanzige vacht bestaat uit dichte en glad aanliggende, korte, vrij harde bovenharen van bruine kleur, waartusschen en waaronder het grijsachtige, zeer dichte wolhaar zich bevindt. Op het midden van den rug, vooral echter aan den nek en op het achterlijf, is de kleur het donkerst, ook de haren van den staart zijn gewoonlijk donkerder dan die van de zijden van den romp. Aan de buikzijde gaat de kleur in grijsbruin over. Een kleine, lichtgele of witachtige vlek bevindt zich aan de keel; de bovenlip is van voren, de onderlip over hare geheele lengte wit.

Nagenoeg dezelfde kleur heeft de vacht van den Mink (Putorius vison), die veel hooger geschat wordt, omdat zij wolliger en zachter is.

Ten aanzien van de levenswijze zullen de beide dieren waarschijnlijk in alle hoofdzaken overeenstemmen; daarom komt het mij wenschelijk voor, aan de korte beschrijving van de gewoonten en den aard van den Nerts een overzicht van de belangrijkste feiten uit de mededeelingen van de reeds genoemde Amerikaansche onderzoekers over den Mink te laten voorafgaan.

Na den Hermelijn is, volgens Audubon’s bericht, de Mink het ijverigste en vernielzuchtigste Roofdier, dat om het boerenerf of om den Eenden-vijver van den landman zwerft; de aanwezigheid van een of twee dezer dieren zal weldra blijken uit het plotseling verdwijnen van verscheidene jonge Eenden en kuikens. Geduld is het eenige middel om den schadelijken roover kwijt te raken. Audubon ondervond dit zelf bij een Mink, die zich in de onmiddellijke nabijheid van zijn huis in den steenen dam van een kleinen vijver had genesteld. De vijver was eigenlijk voor de Eenden van de plaats, door opstuwing van het water, aangelegd, en bood dus het Roofdier een goed voorzien jachtgebied aan. Zijn schuilhoek was even vermetel als listig gekozen: zeer dicht bij het huis en nog nader bij de plaats, waarlangs de Hoenderen moesten afdalen om te drinken. Vóór het hol lagen twee groote stukken graniet; zij dienden den Mink tot uitkijkplaats, van waar hij de boerderij en den vijver kon overzien. Hier lag hij dag in dag uit uren lang op de loer, en van hier uit roofde hij op klaarlichten dag Hoenderen en Eenden, totdat onze berichtgever aan zijn bedrijf een einde maakte, na lang op hem geloerd te hebben.

Vooral aan den Ohio trof Audubon den Mink zeer veelvuldig aan; hij merkte op, dat dit dier ook nuttig is door de vangst van Muizen en Ratten. Behalve met dit voor den mensch voordeelig bedrijf houdt hij zich ook met allerlei wilddieverijen en vooral met de vischvangst bezig. Volgens de waarnemingen van onzen zegsman, zwemt en duikt de Mink met de grootste behendigheid, en maakt, evenals de Otter, jacht op de snelste Visschen, zelfs op de Zalmen en Forellen. In geval van nood behelpt hij zich trouwens ook met Kikvorschen en Salamanders; wanneer de gelegenheid hiervoor bestaat, is hij echter zeer kieschkeurig. In het moeras volgt hij de Waterratten, Rietmusschen, Vinken en Eenden, aan de oevers der meren maakt hij jacht op Hazen, aan de zeekust zamelt hij Oesters in en van den bodem der rivieren haalt hij schelpdieren op: kortom hij weet zich overal naar de gesteldheid van de plaats in te richten en altijd iets buit te maken. Als hij beangst is, verbreidt hij evenals de Bunzing, een zeer onaangenamen reuk.

De 5 of 6 jongen, die ieder wijfje werpt, vindt men tegen einde van April in holen onder overhangende oevers of op kleine eilandjes, in het moeras en ook wel in holle boomen. Als men ze spoedig uit het nest neemt, worden zij zeer tam, men kan er mede omgaan als met schoothondjes. Richardson zag er een in het bezit van een Canadeesche vrouw, die het diertje over dag in een zak van haar kleed bij zich droeg.

De Mink laat zich licht vangen in alle soorten van vallen; hij wordt even vaak geschoten als gevangen; wegens de taaiheid van zijn leven heeft hij echter een goed schot noodig.

Over den Nerts zijn de berichten veel onvollediger. Reeds Wildungen zegt in zijn “Nieuwjaarsgeschenk voor bosch- en jachtliefhebbers,” voor het jaar 1799, dat de