Moerasotter een in Duitschland zeer zeldzaam, aan menigen wakkeren jager waarschijnlijk nog geheel onbekend dier is, — dat hij reeds lang gewenscht had, nader met dit dier bekend te worden, en dat hij de vervulling van dezen wensch alleen aan de onvermoeide zorg van Graaf Mellin te danken heeft. Van dezen natuuronderzoeker deelt hij eenige waarnemingen mede. “Door zijn loopen met gekromden rug, door zijn vaardigheid in het sluipen door de nauwste openingen gelijkt de Nerts op den Marter. Evenals het Fret is hij voortdurend in beweging om alle hoeken en gaten te onderzoeken. Hij loopt slecht, klimt ook niet in de boomen, is echter, evenals de Gewone Vischotter, een zeer bekwaam zwemmer, die zeer lang onder water kan blijven.
“De Moerasotter houdt van stilte en eenzaamheid op zijn woonplaats. Hoewel hij de menschen ontwijkt en met grooter schranderheid aan hunne vervolgingen weet te ontkomen, bezoekt hij toch soms de hokken van het huisgevogelte, en moordt dan, evenals de Marter en de Bunzing, zoolang er nog Vogels zijn en hij niet gestoord wordt; dit geschiedt echter alleen in afgelegene visscherswoningen; ik heb nooit gehoord, dat hij in dorpen is gekomen, om daar te rooven. Zijn gewone voedsel bestaat uit Visschen, Vorschen, Kreeften, Slakken; waarschijnlijk vallen hem ook vele jonge Snippen en waterhoenderen ten buit. Door den verlokkend hoogen prijs van zijn vel, dat ook in den zomer goed is, wordt de vervolging van het steeds zeldzamer wordende dier zeer in de hand gewerkt; indien de thans heerschende zachte winters hem niet eenigermate voordeelig zijn geweest, is het niet onmogelijk, dat deze diersoort ook in Pommeren, waar Mellin haar heeft waargenomen, weldra geheel uitgeroeid zal zijn.”

Nerts (Putorius lutreola).1/3 v.d. ware grootte.
In deze mededeelingen is eigenlijk alles bevat, wat wij tot dusver van den Nerts vernomen hebben. De vrees, dat hij in Duitschland geheel uitgeroeid zou zijn, is langzamerhand vrij algemeen geworden, maar berust gelukkig niet op goede gronden. De Nerts komt in Noord-Duitschland nog allerwege voor, hoewel overal in zeer gering aantal. Zijn eigenlijk vaderland is het oosten van Europa: Finland, Polen, Litauen, Rusland. Hier vindt men hem van de Oostzee tot den Oeral, van den Dwina tot de Zwarte Zee, en niet bijzonder zeldzaam. In Bessarabië, Zevenburgen en Galicië leeft hij ook. In Moravië behoort hij tot de zeer zeldzame dieren; in Silezië wordt hij nu en dan gevangen. Dat hij in Holstein voorkomt, wist men, zonder hierover echter iets bepaalds te kunnen mededeelen. Des te meer verblijdde het mij, dat ik van een in de natuurwetenschap ervaren jachtliefhebber, van den houtvester Claudius, berichten over dit dier ontving: