Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/240

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

“De Nerts houdt van de moerassige en met riet begroeide omstreken van meren en rivieren, waar hij, evenals de Bunzing, een hol in een damvormige verhevenheid te midden van de elzenwortels tot woning kiest; hij graaft dit hol zoo dicht mogelijk bij het water, en voorziet het met weinig uitgangen, die aan den waterkant open zijn. Vluchtgangen in een andere richting of gangen naar naburige dammen worden hier niet gevonden. Terwijl de Bunzing, die uit zijn hol verdreven is, zich in geen geval te water begeeft, maar altijd zijn heil zoekt in de vlucht op het land, waar hij een voldoend aantal schuilhoeken kent, stort de Menk zich in zulke omstandigheden onmiddelijk in ’t water en wel in vertikale richting; hij duikt onder en onttrekt zich op deze wijze aan de blikken zijner vervolgers. Het gelukt zelden hem in ’t water te schieten, daar hij lang onder de oppervlakte blijft en steeds op een verafgelegen plaats weder te voorschijn komt. Voor den Hond is hij in het water, zelfs wanneer dit beperkte afmetingen heeft, veilig.”

Jaren zijn voorbijgegaan, voordat Claudius, en door zijn tusschenkomst ik, het gewenschte doel bereikte en in het bezit geraakte van een levenden Nerts. Eerst in het begin van 1868 kon mijn ijverige vriend mij mededeelen, dat er een wijfje van deze soort gevangen en bij hem gebracht was; het dier werd met melk en versch vleesch gevoed en bevond zich daarbij zeer wel; zijn verzorger hoopte, wegens de bedaarde gemoedstemming van het dier, dat de door het ijzer van de val veroorzaakte wonden weldra genezen zouden zijn. “De Nerts is,” zoo schreef Claudius mij, “veel goedaardiger dan zijne geslachtsgenooten en wordt alleen boos, wanneer men hem plaagt; gewoonlijk let hij niet eens op mij; hij laat zich met een stokje over ’t vel strijken zonder boos te worden. Den geheelen dag ligt hij aan den eenen kant van de kooi ineengerold op zijn leger van hooi, terwijl hij den anderen kant gebruikt om er zijne natuurlijke behoeften te verrichten; des nachts wandelt hij in zijn ruime woning rond, waaruit hij reeds verscheidene malen met geweld is losgebroken. Alleen de eerste maal vond ik hem echter des morgens buiten de kooi, in een hoek van de kamer verborgen; later vond ik hem, als hij ’s nachts uit zijn gevangenis ontsnapt was, des morgens geregeld weer op zijn leger; het was, alsof zijn nachtelijk uitstapje alleen ten doel had, hem eenige afwisseling te verschaffen, en niet een poging was om zijn vrijheid te herkrijgen.”

Nadat de Nerts zich met zijn gevangenschap volkomen verzoend had en zoo tam geworden was, dat hij zich door zijn verzorger liet aanvatten zonder weerstand te bieden, en ook liefkoozingen aannam, zond Claudius hem aan mij in een gesloten kist. Toen ik deze opende, bemerkte ik volstrekt niet den onaangenamen reuk, dien de Bunzing in dergelijke omstandigheden verbreidt, waardoor ik overtuigd werd, dat het dier in de kist wel degelijk een Nerts was. Ik mag wel zeggen, dat, voorzoover ik weet, de ontvangst van geen enkel dier mij zooveel genoegen veroorzaakte, als die van dezen zeldzamen, reeds jaren lang door mij begeerden Europeeschen Marter; jaren lang heb ik hem in den besten welstand behouden. Hij verlaat zijn leger eerst vrij laat in den avond, althans nooit voor zonsondergang, en beweegt zich gedurende den nacht in zijn kooi. Hij wijkt nooit van dezen regel af, en dit acht ik een voldoende verklaring van de onbekendheid, waarin men over ’t algemeen verkeert ten aanzien van de levenswijze van dit dier in den natuurstaat. Want wie kan in de duisternis van den nacht den Nerts in zijn eigenlijk woongebied, het broekland of het moeras, volgen? Zijne bewegingen gelijken, voorzoover ik hierover kan oordeelen naar aanleiding van waarnemingen aan mijn in een nauwe ruimte opgesloten gevangene, nog het meest op die van den Bunzing. Hij heeft volkomen de behendigheid van de Marters, maar bezit niet de vaardigheid in ’t klimmen, die bij de bekendste leden dezer familie voorkomt en evenmin hun lust om zich te bewegen; men zou veeleer kunnen zeggen, dat hij geen stap doet, zonder dat dit noodig is. Terwijl hij zich beweegt, is het veel schranderheid verradend kopje geen oogenblik in rust; de scherpziende oogen waren onophoudelijk door de geheele ruimte rond, en de kleine ooren worden zoover mogelijk gesplitst, om op te merken wat aan de oogen zou kunnen ontgaan. Als men hem nu een levend dier voorhoudt, dan komt hij oogenblikkelijk nader, pakt het dier met de behendigheid van een echten Marter, bijt het met een paar snelle beten dood en sleept het in zijn hol.

Visschen en Vorschen zijn, naar het schijnt, zijn liefste voedsel, hoewel Claudius meende, dat hij vleeschkost boven alles verkoos, en alleen dan Visschen gebruikte, als hij geen vleesch krijgen kon. Het heeft mij vooral getroffen, dat mijn gevangene eerder afkeerig is van het water, dan dat hij er naar verlangt. Een Vischotter tracht zelfs in de kleinste ruimte op de een of andere wijze partij te trekken van het element, waarin hij zich t’huis gevoelt: de Nerts denkt hier niet aan; hij gebruikt het water alleen als drank, en niet om er zich in te baden of er in te spelen.

*