De Veelvraat, een van de plompste vormen van de familie der Marters, vertegenwoordigt een afzonderlijk geslacht (Gulo), dat de volgende kenmerken vertoont: De romp is krachtig en gedrongen, de staart kort en zeer ruig, de hals dik en kort, de rug omhoog gebogen, de kop groot, de snuit langwerpig, tamelijk stomp afgeknot; de pooten zijn kort en sterk, de plompe voeten hebben vijf teenen, die met sterk gekromde en zijdelings samengedrukte klauwen gewapend zijn.
De Veelvraat (Gulo borealis) is 95 cM. à 1 M. lang, waarvan 12 à 15 cM. op den staart komen, en in de schouders 40 à 45 cM. hoog. Op den snuit zijn de haren dun en kort, aan de voeten stevig en glanzig, aan den romp lang en ruig; stijve en lange haren bedekken den bovenarm, het bovenbeen en den staart en vormen de lichter gekleurde strepen langs de zijden. In de vacht van kruin en nek zijn bruinzwarte met grijze haren gemengd; de rug, de onderdeelen en de pooten zijn donkerzwart; tusschen oog en oor bevindt zich een lichtgrijze vlek; een lichtgrijze streep begint aan iederen schouder en strekt zich langs de zijden van den romp naar achteren uit. Het wolhaar is grijs, aan de onderzijde meer bruin.
De Veelvraat bewoont de noordelijke landen der aarde. Te beginnen bij het zuiden van Noorwegen en Finmarken vindt men hem door geheel Noord-Azië en Noord-Amerika tot in Groenland. Vroeger was de zuidelijkste grens van zijn verbreidingsgebied op lagere breedte gelegen dan thans; in den Rendiertijd strekte het zich tot aan de Alpen uit. Bechstein verhaalt van een Veelvraat, die bij Frauenstein in Saksen, Zimmermann van een anderen, die bij Helmbstedt op Brunswijksch gebied gedood werd. De beide laatstgenoemde worden als verdwaalde dieren beschouwd, daar het niet zeer waarschijnlijk is, dat de Veelvraat nog voor betrekkelijk korten tijd zoo ver zuidwaarts kwam. Tegenwoordig vormen Noorwegen, Zweden, Lapland, Noord-Rusland (vooral de gewesten om de Witte Zee en Perm), geheel Siberië, Kamtschatka en Noord-Amerika zijn woongebied.
De natuuronderzoekers uit vroegeren tijd verhalen van dit dier de fabelachtigste zaken; aan hen is het te danken, dat dit dier in vele talen aangeduid wordt met namen, die gelijke beteekenis hebben. Men heeft zich tevergeefs beijverd het woord Veelvraat uit het Zweedsch of Deensch af te leiden. Sommigen zeggen, dat het samengesteld is uit “fjäl” en “fräsz” en “rotskat” beteekent; Lenz zegt echter, dat het woord “fjälfräsz” als diernaam in ’t geheel niet tot de Zweedsche taal behoort, en weerspreekt ook de veronderstelling, dat het uit het Finsch afgeleid zou zijn. Bij de Finnen heet het dier Kampi, waarmede men echter ook den Das aanduidt, bij de Russen Rosomacha of {[sp|Rosomaka}}, bij de Skandinaviërs Jerf; de Kamtschadalen noemen het Dimug en de Amerikanen Wolverene. Hoogst waarschijnlijk is de naam Veelvraat ontstaan naar aanleiding van de verhalen, die over dit dier de ronde deden, en het is door letterlijke vertaling van de eene taal in de andere overgegaan. Wie deze verhalen leest en gelooft, zou instemmen moeten met het oude kinderrijmpje:
Omdat hij zeer vraatzuchtig is.”
Michow zegt n.l.: “In Litauen en Moskovië leeft een dier, dat zeer vraatzuchtig is en Rosomaka heet. Het is zoo groot als een Hond, heeft oogen als een Kat, zeer sterke klauwen, een langharigen, bruinen romp en een staart als de Vos, hoewel korter. Als het een aas vindt, vreet het zoo lang, totdat zijn lichaam zoo vol is als een trommel; dan wringt het zich tusschen twee dicht bij elkander staande boomen door, om zich te ontlasten, keert weder terug, vreet opnieuw en wringt zich nogmaals tusschen de boomen door, totdat het aas geheel verslonden is. Het schijnt verder niets te doen dan te vreten, te drinken en dan weer te vreten.” Deze ongerijmde fabelen zijn reeds door Steller weersproken, terwijl reeds door Pallas een juiste levensbeschrijving van dit vreemdsoortige dier gegeven werd.
De Veelvraat bewoont de bergachtige gewesten van het noorden; hij geeft aan de kale toppen van de Skandinavische Alpen de voorkeur boven de ontzaglijke wouden, die de lagere gedeelten van dit gebergte bedekken, ofschoon hij ook hier gevonden wordt. In de minst bezochte wildernissen houdt hij zich op. Hij heeft geen vaste verblijfplaats, maar kiest een andere woning telkens als hij er een noodig heeft. Als de nacht invalt, verbergt hij zich op iedere plaats, die hem een schuilhoek verschaft, zoowel in het dichtst van het woud als in rotskloven, in een verlaten vossenwoning zoowel als een door de natuur gevormd hol. Hoewel hij, evenals alle Marters, meer nachtdier dan dagdier is, houdt hij zich in zijn woongebied, dat weinig door den mensch verontrust wordt, niet aan een bepaalden regel; ook bij ’t zonlicht sluipt hij rond; hij moet dit ook wel doen, daar, zooals men weet, in de noordelijkste gedeelten der aarde de zon gedurende den zomer maanden achtereen dag en nacht boven de kim blijft.