Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/242

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

In den winter, die hij, op gelijke wijze als zijne naaste verwanten uit de familie der Marters, doorbrengt zonder langen tijd te slapen, stellen zijne groote teenen hem in staat, om met gemak over de sneeuw te loopen; daar hij niet keurig is op zijn voedsel, leidt hij over ’t algemeen een onbezorgd en rustig leven, zonder ooit in grooten nood te komen. De wijze, waarop hij zich voortbeweegt, is zeer eigenaardig; vooral zijn gang verschilt van dien van alle andere, mij bekende dieren. Deze bestaat namelijk uit groote, boogvormige sprongen, welke gepaard gaan met een zonderling hompelen en buitelen. Toch komt hij hierdoor snel genoeg vooruit, om kleine Zoogdieren zonder moeite in te halen, en grootere na een langdurige vervolging tot staan te brengen. Hoe log hij ook is, toch kan hij boomen van geringe hoogte beklimmen. Op de takken van deze boomen ligt hij, dicht tegen den stam aangedrukt, op de loer, en wacht, totdat een prooi onder hem langs gaat. Van zijne zinnen is de reuk het meest ontwikkeld; ook het gezicht en het gehoor zijn tamelijk scherp.

Zijn hoofdvoedsel bestaat uit de verschillende soorten van Muizen, die in het noorden leven, en vooral uit Lemmingen, waarvan hij een verbazend groot aantal exemplaren verdelgt. Wegens de groote veelvuldigheid van deze dieren in sommige jaren behoeft hij bijna niet naar ander wild om te zien. Hij volgt de Wolven en Vossen op hunne rooftochten, in de hoop iets van hun buit te kunnen rooven. In geval van nood maakt hij zelf jacht op groote dieren. Zeker is het, dat hij Rendieren, en zelfs Elanden aanvalt en doodt. Thunberg vernam, dat hij zelfs koeien om ’t leven brengt, door haar den strot te verscheuren. Lôwenhjelm vermeldt in zijn reisbeschrijving van Nordland, dat de Veelvraat hier schade aanricht onder de schapenkudden. Erman hoorde van de Ostjaken, dat dit dier den Eland op den rug springt en door beten doodt. Mijn jachtgezel {[sc|Erik Swenson}} verhaalde mij, dat de Veelvraat zich in Skandinavië, vooral als de sneeuw zeer hoog ligt, zachtjes in den wind op naar de plaatsen begeeft, waar de Sneeuwhoenderen hunne holen hebben gegraven, ze daarin vervolgt en zonder moeite doodt. De jagers haten hem in hooge mate. Mijn geleider verzekerde mij, dat ieder door hem gedood Rendier, dat hij niet zorgvuldig onder steenen verborgen had, gedurende zijn afwezigheid door den Veelvraat werd aangevreten. Zeer dikwijls eet deze het lokaas uit de vallen op, en verslindt de hierin gevangen dieren ten deele. Op dezelfde wijze handelt hij in Siberië en Amerika. In de hutten der Lappen richt hij dikwijls belangrijke verwoestingen aan. Hij baant zich met de klauwen een weg door de deur of het dak, en rooft vleesch, gedroogde visch, kaas en dergelijke voedingsmiddelen, verscheurt bovendien de dierenhuiden, die hier bewaard worden, en vreet ze zelfs gedeeltelijk op, als hij zeer hongerig is. Gedurende den winter is hij bij dag en bij nacht in de weer; als hij vermoeid is, graaft hij eenvoudig een gat in de sneeuw, laat zich insneeuwen, en rust in deze nu warme slaapplaats op zijn gemak uit.

Een kleine prooi wordt dadelijk met huid en haar verslonden, een grootere wordt echter zorgvuldig begraven, om nog voor een tweeden maaltijd dienst te kunnen doen.

Door alle bewoners van de noordelijke gewesten wordt de Veelvraat wegens zijn tallooze rooverijen zooveel mogelijk vervolgd en gedood, ofschoon zijn vel niet overal gebruikt wordt. De Kamtschadalen schatten het echter zeer hoog, en zijn van oordeel, dat geen huid beter dan deze voor bont geschikt is.

In weerwil van zijn betrekkelijk geringe grootte is de Veelvraat geen tegenstander om mede te spotten, omdat hij buitengewoon sterk, woest en flink gewapend is. Tegen den mensch verweert hij zich alleen, als hij hem niet meer ontwijken kan. Gewoonlijk neemt hij bij ’t zien van een jager de vlucht, of klimt, wanneer de drijvers hem opjagen, in een boom, of zoekt een toevlucht op de hoogste rotspunten, waar zijne vijanden hem niet volgen kunnen. Door vlugge Honden wordt hij in vlakke, boomlooze landstreken spoedig ingehaald; ook tegen hen verdedigt hij zich echter met moed en groote behendigheid.

Zoo lang een gevangen Veelvraat jong is, gedraagt hij zich zeer grappig, bijna als een jonge Beer. Wanneer hij met een touw aan een paal vastgebonden is, loopt hij in een halven cirkel heen en weer, schudt intusschen den kop en laat een grommend geluid hooren. Als er slecht weer zal komen, wordt hij nukkig en brommig. Ofschoon zijne bewegingen niet bijzonder vlug zijn, is hij toch voortdurend in beweging, en alleen wanneer hij slaapt, ligt hij stil op een en dezelfde plaats. Een boom, die in zijn kooi staat, beklimt hij met gemak, en hij schijnt bijzonder veel genoegen te hebben in de merkwaardige gymnastische toeren, die hij in de takken verricht.

De Veelvraat toont zijn eigenlijken aard eerst dan, als hij in gezelschap van zijne soortgenooten is. In den Berlijnschen dierentuin waren drie exemplaren van dit in onze kooien zoo zeldzame dier, n.l. een oud en twee nog niet volwassene, die er op zeer jeugdigen leeftijd gekomen zijn. Men kan zich bijna geen grappiger en vroolijker schepsels