Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/244

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

knorden en bliezen, zoo ijverig, slokten en verzwolgen zoo gulzig, dat men er niet aan kan twijfelen, of de sprookjes van de oude schrijvers hebben hun ontstaan en in zekeren zin hun rechtvaardiging gevonden in het waarnemen van het gedrag van zulke gevangene Veelvraten.

*

In Brazilië leven de Huronen of Grisons (Galictis). Deze slank gebouwde Marterachtige dieren zijn gekenmerkt door den tamelijk dikken, van achteren verbreden kop, die bij het begin van den snuit slechts weinig ingedeukt is, de korte, afgeronde ooren en de betrekkelijk groote oogen; de romp rust op korte pooten, welker matig groote voeten vijf door spanvliezen vereenigde teenen dragen en naakte, eeltachtige zolen hebben; de staart is middelmatig of tamelijk lang; het haarkleed kort; het gebit vertoont belangrijke afwijkingen van dat der overige Marters. Naast de aarsopening bevinden zich klierachtige plekken, die een sterk naar muskus riekend vocht afscheiden. Tot nu toe zijn twee soorten van dit geslacht bekend, die zich in bosschen en in struikgewas ophouden. Zij zijn behendig in al hunne bewegingen, klimmen ook zeer goed en zijn hierdoor flinke jagers, die kleine en middelmatig groote Zoogdieren vervolgen, en evenals de Ratel of Honigdas en de Beren, zeer veel van honig houden. Deze beide soorten zijn de Tayra der bewoners van Paraguay, die de Brazilianen {[sp|Hyrare}} noemen, (Galictis barbara), en de Grison (Galictis vittata).




Ter eere van onzen Grimbert noemen wij de uit Zoolgangers bestaande tweede onderafdeeling van de Marter-familie Dassen (Melidae) en vereenigen hierin de plompste en gedrongenste vormen van de geheele familie, die zich bovendien door hun zeer onaangenamen reuk onderscheiden.

De Das is het volmaakste type van een zelfzuchtige, wantrouwige, slecht gehumeurde persoon, die als ’t ware met zichzelf in strijd verkeert. In dit opzicht stemmen nagenoeg alle onderzoekers overeen, hoewel zij het nut, dat deze eigenaardige Marter aanbrengt, niet miskennen. De Das is het onschadelijkste van de groote Europeesche Roofdieren en wordt toch vervolgd en beoorloogd als de Wolf of de Vos, zonder dat hij vele verdedigers heeft gevonden, zelfs niet onder de jachtliefhebbers, die toch, zooals bekend is, het meest houden van de dieren, die zij het ijverigst vervolgen. Zij, die hem zoo onbarmhartig beschuldigen en veroordeelen, bedenken hierbij niet, dat hij op zijn wijze zich eenvoudig en netjes gedraagt en zoo veel mogelijk eerlijk en braaf zijn levenspad bewandelt. Zijn eigenaardige levenswijze is de eenige aanleiding tot het harde oordeel, dat over hem geveld wordt. Men kan niet ontkennen, dat hij een kniezerig, menschen en dieren ontwijkend, eenzelvig schepsel is, en bovendien zoo op zijn gemak gesteld, zoo lui als geen ander; al deze eigenschappen zijn zeer zeker niet geschikt, om iemand vrienden te doen verwerven. Wat mij betreft, ik moet erkennen, dat ik wel iets met hem op heb: zijne levenswijze en zijn voorkomen vermaken mij.

Een gedrongene, stevige en gespierde romp, een dikke hals, een lange kop met een slurfvormig toegespitsten snuit, kleine oogen en kleine, maar duidelijk zichtbare ooren, naakte zolen en stevige klauwen aan de voorpooten, een korte, behaarde staart, een dichte, grove vacht alsmede een dwarse spleet, die naar een aan den aars gelegen klierzak leidt, kenmerken het geslacht Meles, dat door den Das wordt vertegenwoordigd. Aan het gebit vallen de stevigheid der tanden, vooral de buitengewone grootte van de eenige knobbelkies in de bovenkaak en de stompheid van de scheurkies als eigenaardigheden in ’t oog.

De Das (Meles taxus) bereikt zonder den 18 cM. langen staart een lichaamslengte van 75 cM. bij een hoogte in de schouders van ongeveer 30 cM. Oude mannetjes worden in den herfst tot aan 20 KG. zwaar. Een glanzige, uit vrij lange, stijve, bijna borstelachtige haren bestaande vacht bedekt het geheele lichaam en omhult ook de ooren. Haar kleur is aan den rug witachtig grijs en zwart dooreengemengd, omdat ieder haar afzonderlijk aan den wortel meest geelachtig, in het midden zwart en aan de spits grijsachtig wit is; aan de zijden van het lichaam en aan den staart is de kleur roodachtig, aan de onderdeelen en de voeten zwartachtig bruin. De kop is wit, maar een doffe, zwarte streep loopt aan iedere zijde van den snuit, verbreedt zich, strekt zich over de oogen en de wit behaarde ooren uit en loopt in den nek allengs te niet. De wijfjes onderscheiden zich van de mannetjes door hare geringere grootte en breedte, alsook door de lichtere kleur, die een gevolg is van het doorschemeren van het witachtige wolhaar. De jagers onderscheiden de jonge en oude dieren dikwijls door de namen “Hondsdassen” en “Varkensdassen” wegens den vorm van den snuit.