Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/246

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

kelijk leven te leiden en vooral om zijn afzondering zooveel mogelijk te handhaven. Door zijn lichaamskracht is het hem gemakkelijk, holen te graven; evenals eenige andere onder den grond levende dieren, kan hij zich in weinige minuten in den bodem verschuilen.

In dit hol brengt de Das het grootste deel van zijn leven door en eerst als het volkomen nacht geworden is, verwijdert hij zich er op grooten afstand van. In zeer stille bosschen zwerft hij in ’t midden van den zomer ook wel in de laatste uren van den namiddag voor zijn genoegen buiten rond; ik zelf heb hem in de nabijheid van Stubbenkammer op Rügen op klaarlichten dag ontmoet; zulke uitstapjes over dag behooren echter tot de zeldzaamheden. “Van een jager,” verhaalt Tschudi, “die het zeldzame geluk had, een Das in de vrije natuur ongestoord gedurende langen tijd te kunnen waarnemen, ontvingen wij een merkwaardig verslag van zijne ervaringen. Herhaaldelijk bezocht hij het hol van een Das, dat aan den rand van een ravijn aangelegd was en dus van de overzijde goed kon worden waargenomen. Van den toegang tot het hol was blijkbaar een druk gebruik gemaakt, de versch opgeworpen aarde voor den hoofdingang was echter zoo effen en glad als een dorschvloer en zoo vastgetreden, dat men niet zien kon, of er jongen in het hol waren. Toen de wind hiervoor gunstig was, sloop de jager aan de tegenoverliggende zijde tot in de nabijheid van het hol, en zag weldra een ouden Das, die brommig, in zijn eigen vervelendheid verdiept, nederzat, maar overigens in de warme zonnestralen zeer veel genoegen scheen te smaken. Dit was geen toeval: de jager had het dier, zoo vaak hij op heldere dagen naar het hol keek, in de zon zien liggen. Met gelukzalig nietsdoen bracht het den tijd zoek. Terwijl het daar zoo zat, keek het ernstig om zich heen, beschouwde daarna enkele voorwerpen nauwkeuriger en wiegelde zich eindelijk op de wijze van de Beren op de voorpooten op zijn gemak heen en weer. Plotseling werd echter zijn zoete rust op wreede wijze verstoord door bloeddorstige parasieten, die onmiddellijk op een buitengewoon haastige wijze met de tanden en klauwen ter verantwoording werden geroepen. Eindelijk stelde de Das, die blijkbaar tevreden kon zijn over de uitwerking van de door hem gehouden strafoefening, zich opnieuw in de gemakkelijkste houding aan den invloed van de zonnestralen bloot, die hij nu eens op zijn breeden rug, dan weer op zijn goed doorvoeden buik liet schijnen. Lang duurde echter dit tijdverdrijf niet: hij had, naar het scheen, ergens de lucht van gekregen. Hij stak den neus omhoog, wendde dien in alle richtingen, zonder evenwel iets te kunnen ontdekken. Toch scheen hij het raadzaam te achten voorzorgsmaatregelen te nemen, en stapte daarom zijn hol binnen.”

In den paringstijd leeft de Das in gezelschap van zijn wijfje, hoewel niet voortdurend; gedurende den overigen tijd van het jaar bewoont hij zijn eigen hol en onderhoudt zoomin met zijn wijfje als met andere dieren vriendschapsbetrekkingen. In oude, uitgestrekte woningen dringt de Vos zich niet zelden als commensaal aan hem op; de beide dieren bekommeren zich echter niet veel om elkander; de Vos bewoont steeds de bovenste, de Das de onderste gangen en kamers. Dat Reintje door zijne uitwerpselen den zindelijken Grimbert zou verdrijven, is een door latere onderzoekers weerlegd jagerssprookje.

De bewegingen van den Das zijn langzaam en traag; hij heeft, naar ’t schijnt, een slependen en loggen gang; zelfs als hij op zijn vlugst loopt, beteekent zijn snelheid niet veel; men beweert, dat een goed voetganger Grimbert kan inhalen. Het dier maakt een eigenaardigen indruk. In ’t eerst zou men hem eerder voor een Zwijn dan voor een Roofdier houden; men moet, naar het mij voorkomt, al eenigermate met zijn gestalte en zijn aard vertrouwd zijn, om hem te herkennen voor wat hij is. Aan het Zwijn herinnert ook zijn knorrende stem.

Zijn voedsel bestaat in de lente en den zomer hoofdzakelijk uit wortels, Insecten van allerlei soort, Slakken en Aardwormen, bij gelegenheid echter ook uit jonge Hazen, vogeleieren en jonge Vogels. De Regenwormen boort hij zeer behendig met de scherpe, lange nagels van zijne voorpooten uit hunne holen te voorschijn, en van dezelfde werktuigen maakt hij gebruik voor het opzoeken van de larven van den Meikever en van andere schadelijke Insecten, die op akkers, weiden en andere plaatsen onder den grond leven. Hier en daar graaft hij een Hommel- of Wespennest uit en eet met smaak de met larven gevulde en honigzoete raten op, zonder zich veel te storen aan de angels der vertoornde eigenaars; zijn ruige pels, de dikke huid en de daaronder gelegen vetlaag beveiligen hem trouwens volkomen voor de steken dezer dieren. Slakken, misschien ook wel rupsen, Vlinders en dergelijke dieren, zoekt hij van de boomen af. In den herfst eet Grimbert geen beukenootjes, eikels enz., daarentegen wel afgevallen ooft van allerlei soort, wortels en rapen; kleine Zoogdieren (Veldmuizen, Mollen enz.) worden ook niet versmaad; hij eet zelfs Hagedissen, Kikvorschen