Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/247

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

en Slangen. In de wijnbergen richt hij soms verwoestingen aan; hij drukt de zwaar beladen wijnstokken zonder bezwaar met de pooten om en eet zich letterlijk dik aan hunne zoete vruchten. Hoogst zelden steelt hij jonge Ganzen en Eenden van de boerderijen, die in de onmiddellijke nabijheid van het bosch liggen, want hij is buitengewoon wantrouwig en vreesachtig en waagt zich daarom alleen dan buiten het bosch, als hij overtuigd is, dat hij dit volkomen veilig doen kan. Met zelden maakt hij van aas gebruik. Over ’t geheel genomen eet hij weinig en verzamelt geen grooten wintervoorraad in zijn hol. Belangrijke schade richt de Das in Europa niet aan, in alle gevalle nooit en nergens zoo veel, dat het nut, door hem gesticht door het wegvangen en verslinden van allerlei ongedierte in bosch en veld, er niet rijkelijk tegen opweegt. Van alle Marters is hij de nuttigste; hij helpt het bosch in stand houden, in plaats van het te vernielen: de boschbeamte, die hem tracht uit te roeien, benadeelt dus zich zelf en het bosch dat aan zijne zorgen is toevertrouwd.

Als de herfst ten einde spoedt, heeft de Das zich vet gemest. Thans denkt hij er aan, den winter zoo prettig mogelijk door te brengen en maakt de belangrijkste toebereidselen voor zijn winterslaap. Hij brengt bladen in zijn hol en maakt er een warm en dicht leger van. Totdat de eigenlijke koude begint, voedt hij zich met den door hem verzamelden voorraad. Nu rolt hij zich samen, gaat op den buik liggen, steekt den kop tusschen de voorpooten, en vervalt in den winterslaap. Deze wordt echter, evenals die van de Beren, zeer dikwijls afgebroken. Wanneer de koude niet aanhoudt, of als het weder zachter wordt, vooral bij dooi en in niet zeer koude nachten, wordt hij wakker, en verlaat soms zelfs ’s nachts zijn woning om te drinken. Bij betrekkelijk warm weder begeeft hij zich reeds in Januari of op zijn laatst in Februari van tijd tot tijd buiten het hol om wortels uit te graven en, als het geluk hem dient, ook misschien een muisje te verrassen en te vangen. Het vasten bekomt hem echter slecht; als hij in de lente weder voor den dag komt, is hij, die zich voor eenige weken nog op het bezit van een rond buikje kon verheffen, bijna zoo mager als een geraamte geworden.

In het laatst van Februari of in het begin van Maart werpt het wijfje 3 à 4 blinde jongen op een met zorg samengesteld leger van mos, bladen, varen en lang gras. Dat zij in dien tijd een eigen hol bewoont, spreekt van zelf; want de vrouwelijke Das is even zoo goed een verstokte heremiet als het mannetje. De jongen worden door haar liefderijk verzorgd. Zij brengt hun na den zoogtijd zoo lang Wormen, wortels en kleine Zoogdieren in het hol, tot zij in staat zijn zelf voedsel te zoeken.

Na ongeveer 3 of 4 weken wagen de kleine, zeer lieve diertjes, door hun moeder vergezeld, zich reeds tot aan den ingang van het hol, ook gaan zij soms wel daarbuiten in de zon liggen. Daar spelen zij op echt kinderlijke wijze allerliefst met elkander; zij die zoo gelukkig geweest zijn, dit zeldzame schouwspel te genieten, roemen het als zeer aantrekkelijk. Tot aan den herfst blijven de jongen bij de moeder; dan heeft de scheiding plaats en gaat ieder zijns weegs. In het tweede jaar zijn deze dieren geheel volwassen; zij bereiken een leeftijd van 10 of 12 jaar.

De Das wordt in verschillende vallen gevangen; ook wordt hij wel uitgegraven, of, afschuwelijk genoeg, met een kurketrekkervormig werktuig, dat in den grond wordt geboord, gedood. Ook verdrijft men hem uit zijn hol door flinke Dashonden, en schiet hem dood als hij er uit komt. Alleen door zich in zijn woning zoo te verbergen, dat zelfs de Honden hem niet vinden kunnen, ontkomt hij aan dit dreigend gevaar, want hij is zoo log van beweging, dat het hem niet baten zou, voor de Honden te vluchten. Hij tracht zich daarom, als hij in zijn hol vervolgd wordt, gewoonlijk hierdoor te redden, dat hij stil, maar zeer snel zich dieper ingraaft; werkelijk ontsnapt hij hierdoor vaak genoeg aan de nasporingen zijner vijanden. Zeer vroeg in den morgen kan men den Das ook wel op den “aanstand” (d. i. van een schuilhoek uit) beloeren en hem dooden. Des avonds is de aanstand hoogst vervelend, want het wantrouwig dier verschijnt steeds eerst midden in den nacht en gaat zoo stil mogelijk zijns weegs.

Oud gevangen Dassen, die bij het ontgraven van hun hol buitgemaakt werden, zijn werkelijk afschuwelijke dieren, ongevoelig voor goede behandeling, onvatbaar voor eenige opvoeding, lui, wantrouwend, valsch en boosaardig. Over dag verroeren zij zich niet, alleen ’s nachts komen zij te voorschijn; bij elke gelegenheid laten zij de tanden zien, en zijn gevaarlijk, door iedereen te bijten, die hen onvoorzichtig nadert.

Geheel anders gedraagt zich de Das, als hij jong gevangen en zorgvuldig opgevoed werd. Vooral wanneer men hem uitsluitend of hoofdzakelijk plantaardig voedsel geeft, wordt hij tam en aan den mensch gehecht; zelfs kan hij er toe gebracht worden zijn oppasser te volgen en op diens roep van uit de open lucht in zijn hok terug te keeren.