Over een getemden Das schrijft Ludwig Beckmann mij: “Ik heb vroeger een wijfjes-Das gehad, die geheel en al een huisdier was geworden. Kaspar, zoo werd zij ondanks haar geslacht genoemd, was een door en door eerlijke, hoewel eenigszins logge gast. Hij wilde graag met iedereen in vrede leven, werd echter wegens zijne ruwe grappen dikwijls verkeerd begrepen en deed dan soms onaangename ervaringen op. Zijn eigenlijke speelkameraad was een uiterst behendige, verstandige Patrijshond, die ik sinds zijn jeugd gewend had met allerlei wilde dieren om te gaan. Met dezen hond voerde de Das op mooie avonden echte kampspelen op; van heinde en ver kwamen dierenliefhebbers mij bezoeken om dit zeldzaam schouwspel bij te wonen. De strijd bestond hoofdzakelijk hierin, dat de Das, na herhaaldelijk met den kop geschud te hebben, als een Ever regelrecht op den ongeveer 12 pas verder staanden Hond toeschoot en in het voorbijrennen zijwaarts met den kop naar zijn tegenpartij sloeg. Deze wipte met een sierlijken sprong over den Das heen, wachtte een tweeden en derden aanval af, en liet zich daarna door zijn tegenstander in den tuin jagen. Gelukte het den Das de Hond bij een achterpoot te grijpen, dan ontstond er een hevige vechtpartij, die echter nooit in een ernstigen strijd ontaardde. Als het Kaspar te erg werd, ging hij, zonder zich om te keeren, een eind weegs terug, ging al snuivend en bevend op zijn achterpooten staan, zette zijne haren overeind en hompelde dan als een opgeblazen Kalkoen voor den Hond op en neer. Na eenige oogenblikken ging het haar en het geheele lichaam van den Das langzaam naar beneden en na eenige malen met den kop te hebben geschud en na een kalmeerend geknor, dat als ‘hoe, goe, goe, goe’ klonk, begon het lieve leven weer van voren af.
“Omdat hij volkomen zindelijk was, mocht hij in huis vrij rondloopen. Het scheen een bijzondere liefhebberij van hem te zijn, bij de trappen op en af te trippelen; niet zelden draafde hij echter eenzaam en stil op den zolder rond, waar hij den kop nieuwsgierig in alle hoeken stak. Hij beschouwde het als een bijzondere gunst, gedurende het middagmaal bij mij te mogen blijven. Hij drong dan den Patrijshond zonder complimenten ter zijde, ging op zijne achterpooten staan, legde de voorpooten en den bonten, gladden kop op mijne knieën, en eischte nu met het gewone ‘hoe, goe, goe, goe’ een stukje vleesch, dat hij zeer behendig en zachtjes met de voortanden van den vork trok. In den winter hield hij er veel van, zich voor den oven plat op den rug te leggen en den breeden schaars behaarden buik aan de warmte bloot te stellen.
“In den zomer vergezelde hij mij zeer gaarne naar een strook dicht boschland, waarin hij zich volkomen op zijn gemak gevoelde, en bij iederen stap nieuwe ontdekkingen deed. Nu eens ving hij een Hommel of trok een Worm uit den grond, dan weer greep hij een bruine Aardslak met zijne nagels. Op den terugweg volgde hij mij met tegenzin en liep vlak achter mijne hielen; hij begon dan in den regel spoedig aan mijn broek te trekken. Een flinke schop met het breedste deel van den voet moedigde hem slechts aan om met zijne lompe grappen voort te gaan; de zachtste slag met de hand of met een stokje bracht hem echter zeer uit zijn humeur.”
*
Een ander geslacht is dat der Honigdassen (Mellivora). Het bevat dieren met een breeden rug, een korten snuit en een korten staart; de romp is plomper dan bij onzen Das en diens naaste verwanten, als ’t ware van boven naar onderen samengedrukt; de rug is breed en plat, de snuit lang; de kleine oorschelpen verheffen zich slechts weinig boven de huid; de oogen zijn klein en ingezonken; de korte en sterke pooten hebben naakte zolen; de teenen van de voorpooten zijn met lange, voor ’t graven geschikte klauwen voorzien.
De Honigdas of Ratel (Mellivora capensis) bereikt in volwassen toestand een lengte van ruim 70 cM., waarvan op den betrekkelijk zeer langen staart ongeveer 25 cM. komen. Het haar is lang en stijf; het voorhoofd, het achterhoofd, de nek, de rug, de schouders en de staart zijn aschgrauw, de snuit, de wangen, de ooren, het onderste deel van den hals, de borst, de buik en de pooten zwartachtig grijs van kleur, scherp gescheiden van de kleur der bovendeelen. Gewoonlijk ligt een lichtgrijze randstreep tusschen deze beide kleuren in; vooral door het bezit van deze streep onderscheidt de Afrikaansche Honigdas zich van den Indischen.
De Ratel leeft in holen onder den grond, die door hem zelf gegraven worden; hij toont een ongeloofelijke vaardigheid in dit soort van werk. Daar hij overigens langzaam en onhandig is, zou hij aan zijne vijanden nagenoeg niet kunnen ontkomen, indien hij niet de kunst verstond, om, althans daar waar de grond zacht is, letterlijk in den bodem te verzinken, d. i. zoo schielijk een hol te graven, dat hij zich onder de aardoppervlakte verborgen heeft, voordat een op