INLEIDING.
Ieder, die met de uitkomsten der hedendaagsche Dierkunde eenigermate bekend is, weet, dat in de leerboeken dezer wetenschap de gebieder der aarde de reeks der levende wezens, die wij "dieren" noemen, opent en sluit. Want de Mensch is niets meer en niets minder dan een Zoogdier, d. w. z. een dier met rood bloed en een standvastige lichaamstemperatuur, welks jongen door hun moeder gezoogd worden. Iedere moeder, die zich op deze wijze aan haar kind wijdt, en zoodoende het schoonste tafereel te aanschouwen geeft, dat zich denken laat, bewijst hierdoor, dat zij deel uitmaakt van de Hoogste Klasse van het Rijk der Dieren. Iedereen, zelfs de minst wetenschappelijke en meest oppervlakkige persoon, stemt toe, dat er grooter overeenkomst bestaat tusschen den Mensch en den Chimpanzee, dan tusschen dezen Aap en het Paard of het Rund.
Eerst in den nieuwsten tijd heeft het vraagstuk van de plaats, die de Mensch in het Rijk der Dieren inneemt, de eenige juiste beantwoording gevonden; onze voorgangers misten de beste gegevens voor dit antwoord: het noodige materiaal voor vergelijkend onderzoek. Alleen de Mensch, en meer bepaaldelijk het hoogst ontwikkelde ras van Menschen, was met voldoende nauwkeurigheid bekend, terwijl men van zijne naaste verwanten veel te weinig wist. Eerst langs den eenigen waren weg van het vergelijkend onderzoek kon de betrekking van den mensch tot de natuur bepaald worden. De hedendaagsche natuurwetenschap vergelijkt het heden met het verleden, den hoogst ontwikkelden Mensch met den laagst geplaatsten; zij volgt zijn ontwikkelingsgang tot in den donkersten nacht, van het verledene. Dit onderzoek leidt haar tot de voorstelling van een wezen, dat nog steeds voortschrijdt op de baan der ontwikkeling, en dus tot uitkomsten van geheel anderen aard dan die, welke de wetenschap in vroegere eeuwen kon verkrijgen.
Ons werk laat den Mensch over aan hen, die bevoegd zijn, hem zoo uitvoerig te behandelen, als hij behandeld moet worden, en bemoeit zich daarentegen uitsluitend met de Zoogdieren te beginnen bij de tweede orde dezer klasse.
De grondvester van de wetenschappelijke dierkunde en haar uitstekendste vertegenwoordiger in de klassieke oudheid. ARISTOTELES, verdeelde de dieren, die hij kende, over negen groepen: De eerste was die der Levendbarende Viervoetige Dieren, welke overeenkomt met onze klasse der Zoogdieren, indien hieruit de Vischachtige Zoogdieren verwijderd worden; daarop volgden de Vogels; daarna kwam de groep der Eierenleggende Viervoetige Dieren, die onze Kruipende Dieren en Kikvorschachtigen omvat, dan die der Walvischachtigen en die der Visschen. Op deze vijf groepen van dieren "met bloed" — op de Hoofd-afdeeling der Gewervelde Dieren van de hedendaagsche dierkundigen — laat hij de vier overige groepen, de "bloedelooze" dieren, volgen, zonder echter twee groote hoofdgroepen aan te nemen, welke onderscheiding eerst in 't begin van deze eeuw tot stand kwam, toen LAMARCK de „Gewervelde" Dieren aan de "Ongewervelde" tegenoverstelde. De laatstgenoemde groep komt trouwens overeen met het geheel gevormd door de vier groepen van bloedelooze" dieren van ARISTOTELES. Deze zijn: de Weekdieren, tot welke hij trouwens alleen de Kraken rekende, de Zachtschalige Dieren, die samenvallen met onze Schaaldieren, de Insecten, waarbij ook de Spinachtigen. Duizendpooten en Wormen werden gerekend, en eindelijk de Pootlooze Schaaldieren{, n.l. de Slakken, tweekleppige Schelpdieren en Zeeëgels.
Eerst in de vorige eeuw had er in de leer van de rangschikking der dieren een belangrijke vooruitgang plaats, toen KARL à LINNÉ — aan wien de beschrijvende natuurwetenschap ook de consequente toepassing van een korte en bondige, op vaste regels berustende terminologie te danken heeft — voor de eerste maal het dierenrijk verdeelde over trapsgewijs geordende groepen van hoogeren en lageren rang, en voor de belangrijkste van deze groepen — voor de