heeft dit vocht, naar men zegt, een heviger werking, dan van wijfjes en jongen.
De Stinkdieren zijn geen echte woudbewoners; zij geven aan gewesten, die met gras en struiken begroeid zijn, de voorkeur boven de uitgestrekte, uit hoogstammige boomen bestaande wouden. Over dag liggen zij verborgen en slapen in holle boomen, in rotsspleten en in onderaardsche holen, die zij zelf graven; des nachts springen en huppelen zij vlug heen en weer om een prooi te overmeesteren. Hun gewone voedsel bestaat uit Wormen, Insecten, Amphibiën, Vogels en kleine Zoogdieren; zij eten echter ook bessen en wortels. Alleen als zij geplaagd of vervolgd worden, maken zij gebruik van het bedwelming veroorzakende afscheidingsproduct hunner aarsklieren om hunne vijanden af te weren. In geval van nood houden zij hiermede zelfs de bloeddorstigste en roofgierigste Katten op een behoorlijken afstand; alleen in zeer moedige Honden, die, nadat zij bespoten zijn, den bedrijver van dit schelmstuk met ware doodsverachting te lijf gaan, vindt deze een vijand, die tegen hem opgewassen is. Alle bekende soorten komen in levenswijze met elkander overeen; wij kunnen daarom met de beschrijving van een of twee soorten volstaan.
Het grootste deel van Zuid-Amerika wordt bewoond door een stinkdier, dat bij de Brazilianen Surilho heet (Mephitis suffocans); het heeft een lengte van 40 cM. zonder den 28 cM. langen staart, en is buitengewoon verschillend van kleur en teekening. Het dichte, lange en overvloedige haar, dat op den snuit kort is en van hier te beginnen allengs langer wordt, verschilt in kleur van zwartachtig bruin tot glinsterend zwart. De witte strepen beginnen aan het voorhoofd, en loopen, van elkander gescheiden door een strook ter breedte van een vinger, tot aan den wortel van den staart; soms, doch zelden ontbreken zij geheel, zoodat het dier effen zwart is. Hensel verzekert, dat er waarschijnlijk geen twee Surilho’s te vinden zijn, die volkomen overeenstemmen.
De levenswijze van den Surilho verschilt niet belangrijk van die der Marters. Hoewel hij het oerwoud vermijdt, komt hij toch alleen in de met boomen begroeide gedeelten van het laagland en van het gebergte voor. Hier verraadt hij zijn aanwezigheid door de kleine, trechtervormige gaten, die hij dicht bij den rand van ’t bosch in den met gras begroeiden bodem maakt met het doel om Mistkevers te zoeken.
In het noorden van Amerika leeft als evenknie van den Surilho de slecht befaamde Skunk (Mephitis varians). De lichaamslengte van dit dier bedraagt 40 cM.; zijn staart is bijna even lang. Zwart is de grondkleur van de glanzige vacht. Aan den neus begint een smalle, witte streep, die tusschen de oogen doorloopt, zich op het voorhoofd tot een ruitvormige vlek verbreedt, zich op den hals nog sterker uitbreidt en eindelijk in een band overgaat, die zich tusschen de schouders in twee breede strepen verdeelt, welke tot aan de staartspits reiken en zich daar weder vereenigen. Aan den hals, in de schouderstreek, aan de buitenzijde der achterpooten, minder dikwijls ook aan de borst en den buik komen kleine, witte vlekken voor. Over den staart strekken zich, zooals gezegd is, twee breede, witte overlangsche strepen uit; soms zijn de witte en de zwarte kleur op een minder regelmatige wijze over dit lichaamsdeel verdeeld.
De Skunk is wegens de onbarmhartige wijze, waarop hij een van onze gevoeligste zintuigen beleedigt, reeds sedert langen tijd goed bekend, en doet ook thans nog in alle reisbeschrijvingen van zich spreken. Zijn verbreidingsgebied is tamelijk uitgestrekt; het veelvuldigst wordt hij in de nabijheid van de Hudsonbaai gevonden, van waar uit hij zich naar het zuiden verbreidt. Hij houdt zich in hoog gelegen gewesten op, voornamelijk in bosschen en kreupelhoutstrooken langs de rivieroevers, ook wel in rotsachtige streken, waar hij spleten en holen van het gesteente bewoont.
Het Stinkdier is zoo goed bewust van de vreeselijkheid van zijn wapen, dat hij volstrekt geen schuwheid of lafhartigheid toont. Al zijne bewegingen zijn langzaam. Hij kan zoomin springen als klimmen, maar alleen gaan en huppelen. Bij ’t gaan zet hij nagenoeg de geheele zool op den grond, kromt den rug naar boven en draagt den staart benedenwaarts gericht. Af en toe wroet hij in den grond, of snuffelt rond om iets eetbaars te vinden. Als men dit dier toevallig ontmoet, blijft het rustig staan, licht den staart, op, draait zich om, en spuit, als het noodig is, het pestvocht rechtuit naar achteren. Als de honden het staande houden, legt het, volgens Hensel, den staart als een zittend Eekhoorntje over den rug, keert het achterdeel naar de op hem aandringende vijanden, en maakt uit toorn zonderlinge, huppelende bewegingen, zooals men soms van gevangene Beren in het hok ziet. De honden kennen het gevaarlijke wapen van hun tegenstander zeer goed, en houden zich meestal op een eerbiedigen afstand. Slechts weinige Honden hebben den moed, het Stinkdier te grijpen