Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/256

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

geringste aanleiding tot vluchten tracht te bereiken, om het gevaar, dat hem te land bedreigt, te ontgaan. De bouw van zijn lichaam stelt hem in staat om op een onovertreffelijke wijze te zwemmen en te duiken: het slangvormige, breede lichaam met de korte, door groote zwemvliezen in krachtige roeiorganen veranderde voeten, de gespierde en tamelijk lange staart, die uitmuntend als roer gebruikt kan worden, en de gladde, glibberige pels — al deze eigenschappen te zamen genomen maken het snel doorklieven van het water mogelijk. Voor het grijpen van den buit dient hem het scherpe, voortreffelijke en krachtige gebit, dat het eenmaal gevatte voorwerp, hoe glad en glibberig het ook zij, nooit weder loslaat. In den winter, als het water met een ijskorst bedekt is, zoekt hij de gaten in het ijs op, waardoor hij zich te water begeeft en die hij weer opzoekt om adem te halen. Zulke wakken of bijten weet hij zonder zich ooit te vergissen weer terug te vinden; even behendig is hij in het ontdekken van andere wakken gedurende zijn tocht onder het ijs. Een gat in ’t ijs, dat groot genoeg is om zijn neus er door te steken en waardoor hij dus lucht kan krijgen, is voldoende om hem in staat te stellen tot het jagen in het toegevroren water.

In de vrije natuur hoort men de stem van den Vischotter veel minder dikwijls, dan van het gevangen dier, dat veel vaker aanleiding vindt tot opwinding. Als hij zich recht op zijn gemak gevoelt, hoort men hem zacht grinniken; het geschreeuw, dat men van hem verneemt, als hij honger heeft, of wanneer men zijn eetlust prikkelt, klinkt als de dikwijls en snel achtereenvolgens herhaalde klank “gierk”; het is zoo schel, dat de ooren er zeer van doen; een krijschend geschreeuw verraadt toorn, een helder en welluidend gefluit verliefdheid.

De zinnen van den Vischotter zijn zeer scherp; hij kijkt, luistert en speurt uitmuntend. Reeds op een afstand van verscheidene honderden schreden bemerkt hij de nadering van een mensch of van een Hond; zulk een verschijning is voor hem steeds een reden om ten spoedigste naar het water de wijk te nemen. De onophoudelijke vervolgingen, waaraan hij is blootgesteld, hebben hem zeer sluw en voorzichtig, maar ook zeer listig gemaakt, en zoo komt het, dat men dagen lang op hem loeren kan zonder hem waar te nemen. In den regel gaat hij eerst na zonsondergang op de vischvangst uit, waarmede hij zich gedurende den nacht bezig houdt, het liefst en het ijverigst bij helder maanlicht. Bij zulke jachten nadert hij de menschelijke woningen niet zelden tot op een afstand van weinige schreden, trekt ook geregeld door buurtschappen die aan groote rivieren of stroomen liggen, meestal zonder dat men van zijn aanwezigheid iets bemerkt.

Oude Vischotters leven gewoonlijk afgezonderd; oude wijfjes zwerven echter langen tijd met hare jongen rond, of voegen zich bij andere wijfjes of tegen den paartijd bij de wijfjes en mannetjes, die dan gezamenlijk op de vischvangst gaan. Steeds zwemmen zij den stroom op, en zoeken dezen niet zelden tot op mijlen afstand van hunne woningen terdege af; tevens bevisschen zij tot op een afstand van een mijl van hunne woningen alle rivieren, beken en vijvers, die in de hoofdrivier uitmonden of met haar in gemeenschap staan.

In het water speelt de Vischotter de rol, die op het land den Los en den Vos gezamenlijk ten deel is gevallen. In ondiep water drijft hij de Visschen in de inhammen bijeen om hen het vluchten te verhinderen en ze des te gemakkelijker te vangen, of noopt hen, door meermalen met den staart op het water te slaan, zich in gaten van den oever of onder steenen te verschuilen, waar zij hem dan zeker ten buit vallen.

De Vischotter voedt zich ook met Kreeften, Waterratten, kleine en zelfs groote Vogels; hoewel Visschen, vooral Forellen, zijn lievelingsspijs zijn.

Een bepaalden bronsttijd heeft de Otter niet; want men vindt in elke maand van het jaar jongen. Negen weken na den paartijd, bij ons gewoonlijk in Mei, werpt het wijfje op een veilig, d. i. onder oude boomen of dikke boomwortels gelegen, hol aan den waterkant op een zacht en warm leger van gras 2 à 4 blinde jongen. De moeder betoont hun veel liefde en verpleegt ze met de grootste zorgvuldigheid. In het derde levensjaar zijn zij volwassen.

Jonge, uit het nest genomen Vischotters, die men met melk en brood gevoed heeft, kunnen zeer tam worden. De Chineezen gebruiken een soort van dit geslacht om voor hen Visschen te vangen; ook in Europa heeft men meermalen Vischotters voor dit doel afgericht.

Een tamme Otter is een zeer aardig en gezellig dier. Hij leert zijn meester spoedig kennen en volgt hem eindelijk als een trouwe Hond op al zijn wegen. Men kan hem zoozeer aan melkspijzen en plantaardig voedsel gewennen, dat hij deze bijna liever eet dan vleesch; dit kan zelfs zoo ver gaan, dat hij Visschen in ’t geheel niet meer aanraakt.

“Een welbekend jager,” verhaalt Wood, “bezat een Otter, die uitmuntend gedresseerd was. Als zijn naam, Neptunus, geroepen werd, antwoordde hij dadelijk, en kwam op die roepstem af. Reeds in zijn jeugd toonde hij een buitengemeen verstand, en met de jaren namen zijn leerzaamheid en tamheid aanmerkelijk toe. Hij liep vrij rond, en mocht naar