welgevallen visschen. Soms voorzag hij geheel alleen de keuken met de opbrengst van zijn jacht; dikwijls besteedde hij hieraan het grootste deel van den nacht. Des morgens stond Neptunus steeds op zijn post; ieder vreemdeling zag dan met verwondering dit vreemdsoorten wezen te midden van de verschillende Staande Honden en Windhonden, waarmede hij in de grootste vriendschap leefde. Zijn bekwaamheid voor de jacht was zoo groot, dat zijn roem van dag tot dag toenam, en dat de buren van den eigenaar dikwijls den wensch uitspraken, dat hij hun het dier voor een of twee dagen zou leenen, opdat het voor hen een aantal goede Visschen zou vangen.”
De Vischotter wordt wegens de groote verwoestingen, die hij aanricht, onophoudelijk zonder genade vervolgd. Wegens zijn sluwheid zijn vele wijze van jagen, die men anders zou kunnen volgen, te langdurig of onmogelijk. Het is moeielijk, een Otter op den “aanstand” (d. i. van een schuilhoek uit) te dooden, want als hij er de lucht van krijgt, dat een mensch in de nabijheid is, komt hij niet te voorschijn. In den winter levert dit jachtbedrijf gunstiger uitkomsten op, vooral als men in de nabijheid van de wakken het dier opwacht. Het meest vangt men den Otter in een klem, dien men vóór de plaats waar hij het water verlaat, zoo in het water legt, dat het werktuig ongeveer 5 cM. onder den waterspiegel ligt. Het wordt geheel met eendenkroos bedekt. Als men zulk een val aanbrengen kan in een beek of sloot, waardoor het dier gedurende het visschen gewoon is van den eenen vijver naar den anderen te gaan, dan is de uitslag nog zekerder. De weg, dien de Otter volgen moet, wordt dan door palen op zulk een wijze vernauwd, dat hij over het ijzer heen loopen moet. Op grootere meren en vijvers vervolgt men hem in lichte schuiten, en schiet op hem, zoodra hij boven komt om adem te scheppen. De opstijgende luchtblazen verraden den weg, dien hij onder water aflegt, en geven den jagers de richting aan, die zij volgen moeten. In diep water kan men deze wijze van jagen niet toepassen, omdat de doode Otter als een steen naar den bodem zinkt, en dus verloren gaat; want, wanneer hij half verrot weer boven komt, is zijn vel natuurlijk niet bruikbaar meer. In rivieren, waar vele Otters wonen, kan men nog een andere wijze van jagen in praktijk brengen. Men spant in alle stilte groote netten dwars door de rivier, en laat den Otter opjagen door de voor dit doel afgerichte Otterhonden. Verscheidene met geweren en spiesen gewapende personen staan bij de netten, of gaan, zoo dit mogelijk is, met de Honden in de rivier mede. Zij trachten het dier te schieten of te spietsen, en dragen het daarna trotsch op de spiesen naar huis. Zoo jaagt men den Otter vooral in Schotland, maar ook in Duitschland, waar vele jagers zich hierdoor een grooten naam verworven hebben. De gevangen Otter sist en blaast vreeselijk, verdedigt zich tot den laatsten ademtocht, en is dan ook zeer gevaarlijk voor onvoorzichtige Honden, daar hij dezen niet zelden de beenderen van de pooten stukbijt. Geoefende Otterhonden weten trouwens dergelijke aanvallen te ontwijken, en hebben er slag van hun wild spoedig te overmeesteren. Op ’t oogenblik van den dood laat de Otter klagende en kermende geluiden hooren.
Het ottervel wordt algemeen gebruikt voor het boorden van pelzen en andere winterkleederen; in Zuid-Duitschland maakt men er de zoogenaamde ottermutsen van, die in Hessen, Beieren en Zwaben door mannen en vrouwen gedragen worden, in Noord-Duitschland vervaardigt men er pelskragen en dergelijke bontwaren van, in China randen van mutsen; in Kamtschatka eindelijk dient voor het inpakken van het kostbare sabelbont het ottervel, omdat men meent dat het alle vochtigheid tot zich trekt, en daardoor den duren inhoud haar volle waarde doet behouden. Van de staartharen worden schilderspenseelen en van de fijne wolharen fraaie en duurzame hoeden gemaakt.
Onze Vischotter en verscheidene van zijne verwanten komen op sommige plaatsen tijdelijk ook wel in de zee voor; één soort van de onderfamilie is echter geheel en al een zeebewoner. De Zeeotter of Kalan (Enhydris lutris), vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht, vormt misschien een overgang van de Otters tot de Robben. De kop is wel is waar nog eenigszins afgeplat, maar toch rondachtiger dan bij de Zoetwater-Otters, de hals zeer kort en dik, de romp rolrond; de korte, dikke, samengedrukte staart loopt wigvormig uit en is dicht behaard. De voorpooten verschillen van die van den Rivierotter alleen door hunne korte teenen, die door een eeltachtige, van onderen naakte huid verbonden zijn en kleine, zwakke klauwen hebben. De achterste ledematen echter gelijken veel op vinnen, minstens evenveel als die van de Zeehonden, van welker achterste vinvoeten zij zich onderscheiden, doordat de teenen trapsgewijs van binnen naar buiten langer worden. In vele opzichten gelijken de achterpooten van den Zeeotter op die van den Bever, hoewel zij van boven en van onderen met korte, dichte, zijdeachtige haren bezet zijn. Het bovenhaar bestaat uit lange, stijve,