dergelijk voorwerp is weldra een groot gezelschap Hyenas aan den disch vereenigd; haar gedrag bij zulk een gastmaal is bijna niet te beschrijven. Haar vraatzucht grenst aan het wonderbaarlijke; zij zijn de Gieren onder de Zoogdieren. Onder het eten vergeten zij alles, zelfs haar gewone onverschilligheid jegens elkander; zeer dikwijls gebeurt het, dat de dischgenooten onderling in hevigen strijd geraken; door het heesche geschreeuw, schel gekrijsch en afschuwelijk gelach, dat daarbij vernomen wordt, zou een bijgeloovig mensch waarlijk op het denkbeeld komen, dat alle duivels uit de hel losgebroken en hier bijeengekomen waren.
Hoewel de Hyenas door het verslinden van afval nuttig zijn, wordt de schade, die zij onder het vee aanrichten, door dit geringe nut op lange na niet vergoed; veel beter dan door haar worden de doode dieren door de werkzaamheid van sommige Vogels en Insecten uit den weg geruimd. — De karavanen, die door de steppen en woestijnen trekken, worden steeds gevolgd door een of minder groot aantal Hyenas, die als ’t ware vooruitzien, dat eenige twee- of viervoetige leden van deze expedities haar ten deel zullen vallen.
Dat de Hyenas ook menschen aanvallen, wordt dikwijls beweerd en ook betwist. Van de Gestreepte Hyena zijn geen feiten van dezen aard bekend geworden; van de Gevlekte heeft men ze echter zoo vaak bericht, dat ook in dit opzicht haar gevaarlijkheid boven allen twijfel verheven is. Wel rooft zij meestal kinderen, en waagt gewoonlijk alleen dan een strijd met volwassenen, wanneer deze ziek of afgemat zijn, en wanneer zij slapen; in sommige gevallen overviel zij echter weerbare mannen. In eenige streken van Afrika wordt zij daarom als een ware landplaag beschouwd, vooral daar waar zij in groote menigte voorkomt. Wegens de schade, die deze Roofdieren aanrichten, worden zij door de Europeesche kolonisten en ook door inboorlingen van vele stammen vrij geregeld vervolgd. Men schiet ze, vangt ze in strikken, vallen en kuilen en vergiftigt ze met trychnine. Hyenas, die op zeer jeugdigen leeftijd gevangen zijn, kunnen gemakkelijk getemd worden en worden niet zelden zeer aanhankelijk; zij verdragen de gevangenschap zeer goed, maar worden, op hoogeren leeftijd gekomen, dikwijls blind.
In de voorwereld waren de Hyenas over een veel grooter deel van de aarde verbreid dan tegenwoordig; toen kwamen zij ook in Middel-Europa veelvuldig voor, zooals uit op vele plaatsen gevonden beenderen en uit de goed geconserveerde uitwerpselen dezer dieren ten duidelijkste blijkt. Tegenwoordig bestaan, voor zoover men weet, nog vier soorten van deze familie, de drie echte Hyenas en de Aardwolf, die als een middelvorm tusschen haar en de familie der Civetkatten beschouwd mag worden.
De Gestippelde of Gevlekte Hyena (Hyaena crocuta) onderscheidt zich door haar krachtigen lichaamsbouw en haar gevlekte vacht van de Gestreepte Hyena, die veel vaker naar Europa wordt overgebracht, en van den effenkleurigen Strandwolf. Op een witachtig grijzen grond, die nu eens wat meer, dan weer wat minder naar ’t vaalgele zweemt, staan op de zijden van den romp en op de bovenste gedeelten der ledematen bruine vlekken. De kop is bruin, op de wangen en de kruin roodachtig, de staart is met bruine ringen voorzien en aan de spits zwart; de voeten zijn witachtig. Deze kleur wisselt niet onbelangrijk af: sommige exemplaren zijn donkerder, andere lichter. De lichaamslengte van het dier bedraagt ongeveer 1.3 M. bij een schouderhoogte van 80 cM.; volgens sommige berichten komen hier en daar ook veel grootere exemplaren voor.
De Gevlekte Hyena bewoont het zuiden en oosten van Afrika, van de Kaap de Goede Hoop tot op 17° N.B., en vervangt daar, waar zij veelvuldig voorkomt, de Gestreepte Hyena bijna geheel. In Abessinië en Oost-Soedan leven beide soorten op dezelfde plaatsen; verder zuidwaarts echter wordt de Gevlekte soort steeds veelvuldiger en ten slotte de eenige. In Abessinië is zij algemeen, in de gebergten komt zij tot op 4000 M. boven den zeespiegel voor. Haar levenswijze gelijkt geheel en al op die van hare verwanten; zij wordt echter wegens hare grootte en lichaamskracht veel meer gevreesd dan deze, en waarschijnlijk daarom als een onheilvoorspellend, betooverd wezen beschouwd. Vele onderzoekers verzekeren eenstemmig, dat zij werkelijk menschen aanvalt en vooral slapende en vermoeide lieden overrompelt. Hetzelfde wordt, volgens Rüppell, ook door de Abessiniërs beweerd.
De Gevlekte Hyena is de soort, die in de sagen in den regel bedoeld wordt. Van alle Roofdieren heeft zij ongetwijfeld de leelijkste en meest terugstootende gestalte; niet slechts deze, maar ook de inborst van het dier geven een verklaring van den haat, dien men het toedraagt. Zij is dommer, boosaardiger en ruwer dan haar Gestreepte familiegenoot, ofschoon men haar met de zweep weldra tot op zekere hoogte temmen kan. Naar het schijnt, wordt zij echter nimmer zoo tam als de Gestreepte soort, want de kunstjes, die zij in beestenspellen