Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/31

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

"bewegings-dieren," — in vele opzichten althans, in vergelijking met de leden onzer klasse die der "gevoels-dieren" — bezitten. Anders is het gesteld, als wij de geestvermogens der Zoogdieren nagaan. De werkzaamheid der zintuigen, die bij de lagere diergroepen als de eenige aandoening van den geest moet worden beschouwd, is ook nog bij de Visschen. Kikvorschachtigen en Kruipende Dieren betrekkelijk zeer gering, en bij de Vogels in vele opzichten beperkt eerst bij onze klasse toonen alle zinnen als 't ware wat zij vermogen. Door de gelijkmatige ontwikkeling der zintuigen zijn de Zoogdieren ver boven de Vogels verheven. De Vogels zien beter dan de Zoogdieren, daar hunne groote oogen, door de bewegingen die binnen den oogbol plaats hebben, op uitmuntende wijze voor het zien op verschillende afstanden geschikt gemaakt kunnen worden; alle overige zintuigen echter staan verre achter bij die der Zoogdieren. In alle onderverdeelingen dezer klasse openbaart zich reeds in meerdere of mindere mate de alzijdigheid, die in den Mensch haar toppunt bereikt: Om deze reden hebben de Zoogdieren aanspraak op den voorrang in het dierenrijk.

Het gevoel is van alle zinnen die, welke het minst op den voorgrond treedt, en toch, hoe hoog ontwikkeld is juist deze zin bij de Zoogdieren! De reusachtige Walvisch wordt, naar men zegt, door de geringste aanraking van zijn huid genoopt om onmiddellijk in de diepte te duiken; de Olifant bespeurt oogenblikkelijk de Vlieg, die zich op zijn dik vel heeft neergezet; het Rund ondervindt een aangename gewaarwording, als men het zachtjes tusschen de horens krabbelt; de zachtste liefkoozing doet den slapenden Hond ontwaken. Toch zijn al deze dieren veel minder gevoelig dan de Mensch!

De smaakzin komt over 't geheel genomen eerst in onze klasse algemeen tot haar recht. Tot op zekere hoogte wordt deze zin ook bij de Vogels en de koudbloedige Gewervelde Dieren aangetroffen; want zij eten blijkbaar sommige spijzen liever dan andere. De smaakzin bezit echter slechts bij weinige Vogels, b.v, bij de Papegaaien en de Tandsnavelige Zangvogels, een werktuig, welks zachtheid en bewegelijkheid de geschiktheid van de eindtoestellen om smaakprikkels te ontvangen zeer doen toenemen en het proeven mogelijk maken. Dit werktuig, de tong, is daarentegen bij de meeste Vogels zoo hard en onbeduidend geworden, dat het onmogelijk diensten kan bewijzen bij de chemische verrichtingen van het proeven, bij de oplossing van de spijsdeeltjes en bij de daarop volgende zintuigelijke waarneming van de verscheidenheid hunner bestanddeelen. Anders is het bij de Zoogdieren gesteld. Hier is bij allen de tong voor het proeven geschikt, al schijnt zij ook nog zoo hard en ruw. Zout en suiker hebben invloed op de smaakwerktuigen van nagenoeg alle Zoogdieren.

Ook de reukzin bereikt bij de leden onzer klasse een buitengewoon hoogen trap van ontwikkeling. Bij vergelijking van de verschillende diergroepen blijkt het, dat juist de reuk reeds bij lagere dieren een der meest bevoorrechte zinnen is: denk slechts aan de Insecten, die bepaalde soorten van bloemen weten op te sporen, door te letten op den geur, dien zij verbreiden, of die van verre aangelokt worden door lijken en door drek, en die zelfs hunne wijfjes door den reuk weten te vinden. De Visschen komen op een hun toegeworpen lokaas af, dat hen in de rivieren zelfs van hoogerop gelegen plaatsen aanlokt, hoewel het water daarheen toch in geen geval de riekende stof heeft kunnen overbrengen. De Kikvorschachtigen en Kruipende Dieren hebben een zoo slecht ontwikkelden reukzin, dat zij daarmede niets kunnen opsporen. Onder de Vogels zijn er reeds vele, welker reukzintuig voor nasporingen zeer geschikt is, hoewel het verhaal, dat Gieren en Raven krengen en andere stinkende stoffen op mijlen afstands waarnemen kunnen, op onjuiste of gebrekkige waarnemingen berust (deze Vogels worden n.l, door het gezicht daarheen geleid). Anders is het bij de Zoogdieren. In deze klasse komen tal van dieren voor, welker renkzin een zeer merkwaardigen graad van volkomenheid heeft. Een Hond volgt het spoor van zijn meester, die reeds voor eenige uren vertrokken is, te midden van de sporen van duizenden andere menschen; hij volgt het wild, dat den vorigen dag de plaats waar hij zich bevindt, voorbijkwam. Het is ons niet mogelijk, van zulk een gevoeligheid van het reukzintuig een duidelijke voorstelling te verkrijgen. Even onverklaarbaar is voor ons, stompzinnigen, het feit, dat het wild de lucht krijgt" van zijn vervolger. Dat een Haas den voor hem onzichtbaren jager, die boven den wind staat, op 30 schreden afstands ruiken kan, is volstrekt niet het merkwaardigste geval van dien aard, daar het Rendier den Mensch nog 500 schreden ver door den reuk bespeurt. Het is een opmerkelijk feit, dat alle dieren, die goed speuren kunnen, of gemakkelijk van iets de lucht krijgen", een vochtigen neus hebben. Men kan dus, hoe vreemd dit ook schijnen moge, uit de meerdere of mindere vochtigheid van den neus afleiden, hoe ontwikkeld het reukzintuig is.

Het is moeielijk uit te maken, of de reukzin bij de Zoogdieren al dan niet overtroffen wordt door het gehoor. Zeker is het echter, dat de laatstgenoemde zin in onze klasse