een hoogeren graad van volkomenheid bereikt, dan in eenige andere. Hoewel het gehoorzintuig ook reeds bij de lagere dierklassen vrij hoog ontwikkeld is, bereikt het nergens zulk een fijngevoeligheid, als bij de beide hoogste klassen. Het volkomenste gehoororgaan van de Vogels moet echter steeds achterstaan bij dat van de Zoogdieren. Dat de Vogels een uitmuntend gehoor hebben, blijkt reeds uit hunne muzikale gaven: zij vroolijken en winden elkander op met hun zangerigen gorgel; door het gehoor wordt hun het rijk der tonen ontsloten. Opmerkelijk is het echter, dat de Vogels, die het best kunnen zingen en door klanken en toonen het meest in vervoering geraken, het minst scherp hooren, terwijl daarentegen hunne scherpst hoorende verwanten, de Uilen b.v., een afschuw hebben van alle tonen, waarover de andere Vogels verrukt zijn. Evenzoo gaat het bij de Zoogdieren. Hier blijkt de groote volkomenheid van den gehoorzin reeds uit het maaksel van de uitwendig zichtbare gedeelten van het gehoororgaan en nog meer uit den bouw der inwendige deelen: het zintuig kan echter zulk een hoogen trap van ontwikkeling bereiken, het gehoor kan zoo fijn gevoelig worden, dat het een onaangenamen indruk ondervindt van klanken, die voor welluidend worden gehouden door stompere of door opvoeding voorbereide ooren. Een muzikaal gehoor verdient hierom nog niet fijn genoemd te worden; het kan op een lageren ontwikkelingstrap staan dan dat van een niet muzikaal wezen, welks gehoororgaan andere begaafdheden bezit. Als men over den graad van volkomenheid van het gehoor spreekt, kan dit altijd slechts geschieden met het oog op den omvang van één bepaalde begaafdheid van het orgaan voor geluidswaarnemingen. Bij den Mensch staat het gehoor, evenals de reuk, op een lageren trap van volkomenheid dan bij de overige Zoogdieren; dit feit is niet in tegenspraak met zijn suprematie; want juist door de gelijkmatige ontwikkeling van alle zinnen verheft hij zich boven de andere dieren.
Bij de Zoogdieren is het vermogen om te hooren zeer verschillend. Geen hunner is doof: een werkelijk fijn gehoor treft men echter slechts bij weinige aan. Dat zeer vele Zoogdieren geluiden hooren, die wij volstrekt niet meer waarnemen kunnen, staat vast; wij weten echter niet, hoe ver dit vermogen zich uitstrekt. Het is volkomen zeker, dat de Kat, (zoowel als de Uil) het gedruisch hoort, dat door het loopen van de Muis veroorzaakt wordt; wij kunnen echter niet bepalen op welken afstand zij zachte voetstappen nog kan onderscheiden van het door den wind veroorzaakte geritsel. De Grootoorige Vleermuis hoort waarschijnlijk het gedruisch, dat kleine Vlinders maken bij het vliegen, hoewel deze beweging op onze ooren in 't geheel geen indruk voortbrengt. De Woestijnvos hoort misschien nog vrij ver het krabbelen van een Kever in het zand. Onze Vos spitst de ooren, als de jager op een betrekkelijk grooten afstand het muizengepiep nabootst. Het wild hoort op een afstand van 100, misschien op 200 pas den jager loopen: al deze opmerkingen bewijzen echter in het geheel niets en verschaffen ons geen grondslag voor nauwkeuriger bepalingen.
De gezichtszin der Zoogdieren bereikt waarschijnlijk nooit den graad van scherpte van den reuk en van het gehoor. Dat alle Zoogdieren, wat hun gezichtsvermogen betreft, bij de Vogels achterstaan, werd reeds opgemerkt; in welke mate dit het geval is, zal wel moeielijk uit te maken zijn, daar wij ook hierover slechts bij ons zelf waarnemingen kunnen doen, die tot beslissende uitkomsten leiden. Bekend is het echter, dat zij zelfs op korten afstand ternauwernood hun vijand herkennen, indien hij zich niet beweegt en zelfs zijne oogen niet van richting doet veranderen. Men mag wel aannemen, dat van de bij dag arbeidende Zoogdieren misschien geen enkel den mensch overtreft, wat de ontwikkeling van het oog en de daarmede gepaard gaande scherpte van het gezichtsvermogen betreft; ons zijn althans geen onderzoekingen bekend, welker uitkomsten hiermede strijdig zijn. Anders is het gesteld met de nachtdieren, dus met bijna alle Roofdieren, eenige Apen, alle Halfapen, de Vleermuizen, verscheidene Knaagdieren enz. Zij hebben of zeer ontwikkelde of zeer gebrekkige oogen. De echte Roofdieren hebben ontegenzeggelijk van alle Zoogdieren het scherpste gezicht; hunne oogen zijn zoo gevoelig voor de werking van het licht, dat zelfs gewoon daglicht, op vele althans, een uiterst onaangenamen indruk maakt. Men mag als regel stellen, dat alle Zoogdieren, die een ronde pupil hebben, dagdieren zijn, d. w. z. bij dag en bij nacht betrekkelijk even scherp zien, terwijl de gezichtszin van de dieren met spleetvormige pupil eerst gedurende de schemering zijn volle scherpte verkrijgt. Een merkwaardig feit is het onbruikbaar of rudimentair" worden van de oogen. Dit verschijnsel, dat in de Zoogdierenklasse eenige malen voorkomt, kan in zulk een mate bestaan, b.v, bij de Blindmuis (p. 440), dat het dier in 't geheel niet zien kan. Voor zoover wij weten, mist evenwel geen enkel Zoogdier de oogen geheel: onze Mol, die vaak genoeg, blind" genoemd wordt, heeft wel degelijk oogen, en kan zelfs vrij goed zien.
Wij moeten het oog van het Zoogdier echter ook nog uit een ander oogpunt beschouwen: n.l. als een uitwendig zichtbare weerspiegeling van den geest. Bij