Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/33

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

de lagere dierklassen heeft het nog niet de uitdrukking, die het tot een "spiegel der ziel" maakt. Wel noemen wij het bij de Slang arglistig, bij den Krokodil valsch, bij eenige Vogels zacht, bij andere streng, ernstig, moedig: met weinige uitzonderingen leggen wij echter in deze gevallen zelf er in, wat wij er in willen zien. Alleen in het oog van den Valk en van den Arend openbaart zich het gemoed van deze dieren; dit is echter met het oog van het Zoogdier bijna steeds het geval. Hier kunnen wij werkelijk van een gezichtsuitdrukking spreken: en hierbij speelt het oog de voornaamste rol. Het volk heeft dit reeds voor lang ingezien, zooals nit de keuze zijner beelden blijkt; te recht spreekt het, op de Dogen doelende, van flauw bij het Rund, van schoon bij de Giraffe, van zacht bij de Gazelle, van trouwhartig bij den Hond, van dom bij het Schaap, van valsch bij den Wolf, van vurig bij den Los, van arglistig bij den Aap, van fier bij den Leeuw; want bij al deze dieren is het oog werkelijk de onbedriegelijke spiegel van den geest. De aandoeningen van het dier spreken uit zijn oog; dit vervangt de ontbrekende spraak. Smart en vreugde, somberheid en opgewektheid, angst en lichtzinnigheid, verdriet en vroolijkheid, haat en liefde, afkeer en genegenheid, vinden in het sprakelooze oog hun welsprekenden verkondiger: door het oog werkt het gemoed naar buiten. Het zal ons dus als tolk kunnen dienen bij de algemeene bespreking van den geest der dieren.

Het Zoogdier heeft geheugen, verstand en gemoed en heeft derhalve dikwijls een zeer beslist en bepaald karakter. Het openbaart onderscheidingsvermogen voor tijd, plaats, kleuren en klanken; het kan waarnemen en herkennen; het kan oordeelen en is in staat om gevolgtrekkingen te maken; het behoudt de ervaringen, die het opgedaan heeft, en maakt er gebruik van; het ziet gevaren in, en denkt na over de middelen om ze te vermijden; het toont lust en tegenzin, liefde voor echtgenoot en kind, voor vrienden en weldoeners, haat tegen vijanden en tegenstanders, dankbaarheid, trouw, achting en verachting, vreugde en smart, toorn en zachtmoedigheid, list en schranderheid, eerlijkheid en geveinsdheid. Het schrandere dier berekent, bedenkt, overweegt, voordat het handelt; het gevoelvolle dier zet met bewustzijn vrijheid en leven op het spel, om gevolg te geven aan een inwendigen drang. Het dier heeft zeer verheven denkbeelden over de plichten der samenleving: het offert zich op in het belang van de vereeniging, waarvan het deel uitmaakt; het verpleegt zieken, staat zwakkere dieren bij, en deelt van zijn voedsel mede aan de hongerigen. Het overwint begeerten en hartstochten, en leert ze beheerschen; het toont dus ook wilskracht en energie. Jaren lang blijft het verledene in zijn herinnering leven; het denkt ook aan de toekomst; het verzamelt en spaart voor later.

Door de verschillende geestesgaven wordt het karakter bepaald. Het dier is moedig of vreesachtig, dapper of lafhartig, stoutmoedig of angstvallig, eerlijk of diefachtig, openhartig of huichelachtig, oprecht of valsch, trotsch of bescheiden, vertrouwend of wantrouwig, volgzaam of koppig, dienstwillig of heerschzuchtig, vreedzaam of strijdlustig, opgewekt of treurig, vroolijk of knorrig, gezellig of ongezellig, vriendschappelijk tegen anderen of vijandig tegenover een ieder — en wie zal zeggen, wat het niet al meer kan zijn!

Eén zaak moeten wij hier niet uit het oog verliezen, n.l. de vermeerdering, die alle geestvermogens van het dier kunnen ondergaan, wanneer het een opvoeding ontvangt. Er zijn ontwikkelde, goed opgevoede en onontwikkelde, lummelachtige, slecht opgevoede individuen zoowel onder de dieren als onder de menschen. De opvoeder oefent een ontzaglijken invloed op het dier uit. De voornaamste en bekwaamste opvoeder van het dier is de mensch. Een enkel voorbeeld van 't geen hij in dit opzicht vermag, moge voldoende zijn; het betreft het dier, dat met het meeste succes door ons is opgevoed, nl, de Hond. Deze wordt mettertijd een trouwe weerspiegeling van zijn meester; hij neemt als 't ware diens karakter aan: de jachthond dat van den jager, de slagershond dat van den slager, de schippershond dat van den schipper, de Laplandsche. Eskimo-, Indiaansche hond ieder dat van hun gebieder.

Wij zijn er nog op lange na niet in geslaagd het wezen van den geest der dieren te doorgronden, wij doen onderzoekingen bij dieren met het doel om ons zelf te leeren kennen. Van jaar tot jaar, van dag tot dag schrijden wij voort op den weg, die naar deze kennis leidt, en reeds sinds lang erkennen wij met betrekking tot den geest van het dier de waarheid van SCHEITLIN's gulden woorden: "Al het dierlijke vinden wij in den mensch terug, niet echter al het menschelijke in het dier!"


De Zoogdieren zijn over alle zeeën, vastelanden en groote eilanden der aarde verbreid. Slechts de eilanden die midden in den oceaan gelegen zijn, en nooit met een vasteland samenhingen, bezitten geen inheemsche Zoogdieren. Het verbreidingsgebied van iedere soort op zich zelf beschouwd is echter beperkt. Alleen de zee veroorlooft aan sommige leden van onze