De Nieuwe Wereld, Amerika, is in twee rijken, het noordelijke en het zuidelijke, verdeeld, welker tamelijk onduidelijke grensscheiding bepaald wordt door een naar boven geopende boogvormige lijn, die van den Californischen zeeboezem uitgaande, zich ver zuidwaarts uitstrekt, en in de golf van Mexico eindigt. De eilanden in deze golf behooren voor het meerendeel tot het Zuid-Amerikaansche rijk.
Het Noord-Amerikaansche of Nearetische Rijk vertoont vele punten van overeenkomst met het Noordelijke Rijk van de Oude Wereld. Daar, zoowel als hier vindt men Lossen. Wolven en Vossen. Wezels. Beren. Elanden en Herten. Woelratten. Bevers. Eekhoorntjes en Hazen. De Amerikaansche soorten gelijken veel op die van de Oude Wereld, en sommige zijn er zelfs moeielijk van te onderscheiden. De Bison van de Prairien is nauw verwant aan den Wisent van Lithauen. Behalve de genoemde Zoogdieren zijn er echter andere, die aan het Noord-Amerikaansche Rijk zijn eigenaardig voorkomen verschaffen. Deze zijn: drie eigenaardige geslachten van Mollen, waarbij de hoogst zonderlinge Stermol (Condylura), vele geslachten van Marterachtige dieren, waarbij het gevreesde Stinkdier, en de zeer karakteristieke familie van de Waschberen. Ook het bezit van slechts één geslacht van Antilopen (welks eenige soort, Haplocerus americanus, door de pelsjagers of trappers in deze gewesten Berggeit wordt genoemd) en van den zoo merkwaardigen Gaffelbok (Antilocapra americana, p. 676) zijn kenmerkend voor dit Rijk. De Muizen van Amerika verschillen aanmerkelijk van die der overige werelddeelen: wij vinden hier een eigenaardige Springmuis (Jaculus) en de zeer karakteristieke Wangzakratten (Geomys), welke laatste echter de zuidelijke grens van het Noord-Amerikaansche Rijk overschrijden. Andere dieren, die het Arctische Rijk der Nieuwe Wereld van dat der Oude Wereld onderscheiden, zijn de Prairiehond, de Navelzwijnen (p. 722) en de Opossum (p. 796). Voorts ontbreken hier de Egels, de Wilde Zwijnen en de Relmuizen, terwijl er slechts één soort van Schaap (Ovis montana, p. 605) inheemsch is.
De dierenwereld van het Zuid-Amerikaansche of Neotropische Rijk is bijna zoo vreemdsoortig als die van het Australische, maar veel vormenrijker. Grootendeels is zij samengesteld uit Tandeloozen. Buideldieren en Knaagdieren. Daarbij komen de Grijpstaartapen en de Leeuwaapjes, de Vampiers, de Neusberen en de Pekaris, de Lamas en de Alpakas. Van de Tandeloozen vinden wij hier alleen de Luiaards, de Gordeldieren en de Mierenleeuwen, onder de Knaagdieren treffen wij de Chinchillas en de Agoetis aan. De Buidelratten zijn grootendeels tot Zuid-Amerika beperkt. In het geheele Zuid-Amerikaansche Rijk worden geen Civetkatten en slechts in West-Indie eenige weinige soorten van Insecteneters gevonden; de Schapen. Runderen en Antilopen ontbreken geheel, terwijl de Zwijnen. Olifanten en Neushoorndieren der Oude Wereld in dit deel van de Nieuwe door de kleine Pekaris en de Tapirs vervangen zijn. Het Zuid-Amerikaansche rijk is dus zeer merkwaardig, niet alleen wegens de aanwezigheid van tal van vormen, die door hun bouw herinneren aan dieren uit vroegere tijdperken, maar ook wegens het ontbreken van vele, overigens algemeen verbreide soorten.
De bovenstaande korte beschrijving van de zes dier-geographische rijken is ontleend aan WALLACE's uitmuntend werk over de geographische verbreiding der dieren, waaruit ook de volgende opgaven getrokken zijn: Het aantal bekende, thans levende Zoogdieren-soorten bedraagt ruim 2500. Hierbij zijn 219 Apen, 56 Halfapen, 445 Vleermuizen, 344 Roofdieren, 30 Vinvoetigen, 135 Insecteneters, 747 à 779 Knaagdieren, 38 Tandeloozen, 2 Slurfdieren, 23 Onevenvingerige Hoefdieren, 10 à 12 Klipdassen, 208 Evenvingerige Hoefdieren (n.l. 184 Herkauwers met 24 Zwijnen en Nijlpaarden), 4 Zeekoeien (Sirenen), 165 Walvischachtigen (Cetaceën), 129 Buideldieren en 3 Kloakdieren.
Deze soorten (met uitzondering van de Waterzoogdieren: Walvischachtigen, Zeekoeien en Vinvoetigen) zijn op de volgende wijze over de zes Rijken verdeeld: het Palaearctische Rijk bevat er 415, het Aethiopische rijk 527, het Oostersche 504, het Australische 246, het Noord-Amerikaansche 278, het Zuid-Amerikaansche 604.
In Europa leven ongeveer 150 soorten; 60 soorten komen uitsluitend in Europa voor, 240 in Afrika, 350 in Azië, 400 in Amerika en 140 in Australië. Bij de behandeling van iedere diergroep afzonderlijk komen wij op de verbreiding dezer groep terug. Van het verbreidingsgebied van iedere soort moet nog opgemerkt worden, dat het zich over 't algemeen verder uitstrekt in oost-westelijke dan in noord-zuidelijke richting.
Van de fossiele of voorwereldlijke Zoogdieren zegt ZITTEL (1891): Terwijl voor ongeveer 20 jaren tegenover de 2300 levende soorten slechts 800 uitgestorvene stonden, bevat de verdienstelijke catalogus van O. ROGER (1887) reeds de namen van 2900 fossiele vormen; aan deze moeten er nu nog eenige honderden toegevoegd worden, die in de laatste jaren