Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/38

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

nachtelijke levenswijze te leiden. Hoewel juist bij de sterke en de zeer vlugge en de op boomen levende soorten, dus bij die, welke het minst aan vervolging blootstaan, de meeste dagdieren aangetroffen worden, zou het voorbarig zijn, te beweren, dat alle nachtdieren lafhartiger, zwakker, dommer en onbeholpener zijn, dan de dieren, welke over dag hunne werkzaamheden verrichten. Men denke slechts aan de Katten, Marters, Herten en andere dieren, die bijna zonder uitzondering zoowel 's nachts als over dag hunne werkzaamheden verrichten, om de onjuistheid van deze bewering in te zien. Als algemeenen regel kan men aannemen, dat de minst weerbare dieren, die in hun verblijfplaats geen bescherming vinden tegen de gevaren, die hen bedreigen, den nacht gebruiken voor hunne werkzaamheden.

Terwijl zij wakker zijn, houden de meeste Zoogdieren zich uitsluitend bezig met het zoeken van hun voedsel. Dit kan zeer verschillend zijn. Het spreekt van zelf, dat alle leden onzer klasse of planten, of dieren eten. Er zijn liefhebbers bij voor bijna alle voortbrengselen van beide rijken van levende wezens.

Hoewel de Zoogdieren veel eten, staan zij toch in dit opzicht achter bij de Vogels. Dit stemt trouwens geheel overeen met hun geringere bewegelijkheid. Na den maaltijd zoeken zij rust, en vervallen hierbij in een halve sluimering, zooals de Herkauwers, of gaan werkelijk slapen.

Zooals reeds opgemerkt werd, toonen slechts weinige Zoogdieren lust tot spelen of nuttelooze bewegingen; het zijn bijna alleen de jongen, die hiertoe genegen zijn; door hunne grappen weten zij ook de kinderlievende ouden op te wekken tot deelneming aan het spel. Bij goede en overvloedige voeding krijgen alle Zoogdieren een glad, glanzig haarkleed, en hoopen zij onder de huid en in de lichaamsholte veel vet op, dat bij eenige dienen moet om het leven te behouden gedurende den hongertijd. Voor eenige planteneters en insecteneters n.l. is er gedurende den winter volstrekt geen voedsel te vinden; bovendien zijn zij te klein en te zwak om langdurig vasten te kunnen verdragen. Ongeschikt tot het trekken naar warmere of met meer voedsel bedeelde gewesten, zouden zij ongetwijfeld uitsterven, indien de natuur hen niet op een merkwaardige wijze uit deze moeielijkheid had gered. Men zou kunnen meenen, dat zij zich zelf kunnen redden, door diep onder den grond dik en zacht bekleede, warme woningen te bouwen, hierin bewaarplaatsen van voedsel aan te leggen en deze rijkelijk met voedsel te voorzien; de natuur heeft echter nog beter voor hen gezorgd; het opgeborgen voedsel dient alleen om het dier gedurende den tijd, dat het werkelijk nog eten moet, tegen den hongerdood te beschermen. Deze Zoogdieren hebben gedurende geruimen tijd in 't geheel geen voedsel van buiten noodig, maar teren, terwijl zij in een op den dood gelijkenden slaap vervallen, langzaam hun vet op: zij houden, winterslaap". De winterslaap is een toestand van schijndood, waarin het leven zich op veel minder krachtige wijze openbaart dan vóór dien tijd. Indien het hart en de longen op de gewone wijze arbeidden, zou het vet, dat zich gedurende den zomer in 't lichaam heeft opgehoopt, en dat voor verscheidene maanden moet strekken, spoedig opgeteerd zijn; de zeer zwakke ademhaling verlangzaamt echter het oxydatieproces dat in 't lichaam plaats heeft, en heeft hierdoor een gunstigen invloed op het behoud van 't leven. De thermometer wees bij een in winterslaap verkeerende Marmot slechts een lichaamstemperatuur van iets meer dan 8¼ C, aan, terwijl de bloedwarmte van dit Zoogdier in gewone omstandigheden gemiddeld 35 à 37½° C, bedraagt.

Als de lente nadert, ontwaakt de winterslaper, en rekt nu in den eersten tijd zijn leven met de schatten, die hij gedurende den vorigen zomer heeft bijeengebracht. In den eersten tijd na het ontwaken uit den schijndood slaapt hij nog dikwijls en lang; dit geschiedt echter op meer normale wijze. Zoodra hij zijn schuilhoek verlaten kan, begint voor hem een tijdperk van groote opgewondenheid, omdat de voortplanting dan aanvangt. Een echte winterslaap komt alleen bij kleine Zoogdieren voor; de groote, zooals de Beer, slapen slechts tijdelijk, soms dagen, misschien zelfs weken achtereen; ook zij nemen echter gedurende dezen tijd weinig voedsel tot zich.

Eenige Zoogdieren doen soms reizen om hun toestand te verbeteren; bij hen kan men echter niet, zooals bij de Vogels, van, trekken spreken. Zij, die een streek verlaten, om zich naar een andere te begeven, leggen nooit zulk een langen weg af als de trekkende Vogels. Door gebrek aan voedsel gekweld, vereenigen de Lemmingen, die vlugge en bevallige bewoners van de gebergten en vlakten der noordelijke landen zich tot groote scharen, om zich gemeenschappelijk naar de lagere landen te begeven; zij trachten zelfs zeearmen over te steken, maar vinden daarbij geregeld den dood. De Zuid-Afrikaansche Trekbokken, het Rendier, de Bison, de Wilde Ezels, de Zeehonden en de Walvisschen ondernemen om dezelfde reden nog grootere reizen. Ook bij eenige Vleermuizen