zou men desnoods van trekken kunnen spreken. Al deze reizen zijn echter onbeduidend in vergelijking met die der Vogels.
Het leven der Zoogdieren is veel eenvormiger dan dat der bewegelijke luchtbewoners. Alleen de verstandelijk hooger ontwikkelde soorten trachten in deze eenvormigheid eenige afwisseling te brengen, door zich op de een of andere wijze met elkander te vermaken. Bij de groote meerderheid bestaat het programma van den dag uit eten en slapen, slapen en eten. De paartijd brengt in dezen toestand een groote verandering te weeg. Bij de meeste Zoogdieren is de voortplanting aan een bepaalden tijd van 't jaar gebonden, en vangt hetzij in de lente, of in den herfst, of zelfs in den winter aan, al naar de draagtijd van het dier langer of korter duurt. De lente is n.l. in den regel de tijd, waarin de jongen ter wereld komen, wijl dit jaargetijde voor de zoogende moeder, en bijgevolg voor het jong, het meeste voedsel oplevert; naar den werptijd regelt zich de bronsttijd of paartijd. Het Zoogdier gedraagt zich gedurende dezen tijd dikwijls geheel anders dan gewoonlijk: de mannetjes, die zich gewoonlijk niet om de wijfjes bekommeren, zoeken ze nu op, en zijn zeer opgewonden. Met de liefde ontwaakt bij hen de ijverzucht en de haat tegen medeminnaars; hevige gevechten hebben plaats; iedere tegenstander wordt door luid geschreeuw tot den strijd nitgedaagd; zelfs het vreedzaamste Zoogdier is in den bronsttijd moedig en strijdlustig. Waarschijnlijk duurt alleen bij enkele Herkauwers, n.l. bij verscheidene kleine soorten van Antilopen, en misschien ook nog bij enkele Walvischachtigen, de echtelijke verbintenis langer dan één jaar; bij alle overige Zoogdieren is zij van korteren duur.
Geen enkel Zoogdier brengt in één worp meer dan 24 jongen ter wereld, 14 of 16 is zelfs reeds een zeldzaam verschijnsel. Bij alle groote Zoogdieren heeft het werpen van jongen minder dikwijls plaats, en is het aantal jongen bij elken worp geringer dan bij kleinere soorten; bij deze is de zwangerschap dikwijls reeds binnen de drie weken afgeloopen, en duurt de zorg van de moeder voor haar kroost ongeveer even lang. Dan hebben er meestal verscheidene worpen in één jaar plaats. De Gewone Veldmuis b.v, brengt 5 à 7 maal per jaar 4 à 8 jongen ter wereld. De Zoogdieren, die langer dan 6 maanden drachtig zijn, krijgen in den regel maar één jong per worp.
De Kloakdieren zijn de eenige eierleggende Zoogdieren; bij den Mierenegel wordt het ei dadelijk na het leggen in een kort vóór dien tijd ontstaanden broedbuidel gebracht, die zich aan den buik van de moeder bevindt.
Onmiddellijk na de geboorte lekt de moeder hare jongen zorgvuldig schoon, en verwarmt ze met haar eigen lichaam. Eenige Knaagdieren bouwen vooraf een nest, en bekleeden dit met de haren, die zij zich uitrukken om een zachte ligplaats voor hunne jongen te verkrijgen; bij de meeste Zoogdieren echter komen de jongen eenvoudig op den grond te liggen, in een hol, dat niet van een nest voorzien is. Bij de Buideldieren wordt het jong onmiddellijk na de geboorte in een buidel gebracht, die zich aan den buik van de moeder bevindt, en aan een der daar aanwezige tepels vastgehecht.
De trap van ontwikkeling, dien de jongen bij hun geboorte bereikt hebben, is zeer verschillend. Die van de Buideldieren gelijken op een ongefatsoeneerd stukje vleesch, daar zij nog slechts beginsels van ledematen hebben, onbehaard en blind en bovendien uiterst klein zijn. De meeste Roofdieren zijn bij de geboorte blind en openen eerst na 1 of 2 weken de oogen. Vele Zoogdieren daarentegen komen in zeer ontwikkelden toestand ter wereld, en zijn reeds weinige uren na de geboorte in staat hun moeder te volgen. Andere komen wel is waar met open oogen ter wereld, maar zijn toch nog zoo hulpbehoevend, dat de moeder ze weken lang bij zich dragen moet; zoo hangen b.v. de jongen van de Apen en Vleermuizen geruimen tijd aan hun moeder, waaraan zij zich met alle vier ledematen vastklemmen.
De liefde van de moeder voor haar kroost is bij de Zoogdieren buitengewoon groot; zij verdedigt het, zelfs als haar eigen leven er bij op het spel gezet wordt, tegen iederen vijand, zelfs tegen den vader. Deze bekommert zich eigenlijk in 't geheel niet om de jongen; hij wordt integendeel dikwijls zelfs gevaarlijk voor hen, daar hij ze opvreet, als hij ze meester kan worden.
Bij ieder Zoogdier, dat jongen heeft, merkt men mettertijd een groote verandering op in haar gedrag ten opzichte van haar kroost. Hoe grooter de jongen worden, des te koeler wordt de betrekking tusschen moeder en kind: een gevolg van het bij haar en ieder ander dier bestaande verlangen om de nakomelingen zoo schielijk mogelijk zelfstandig te zien worden.
De tijd, waarin een Zoogdier zich tot een zelfstandig wezen ontwikkelt, is nagenoeg even verschillend als de grootte van het dier. Onder de bewoners van het land heeft de Mensch den meesten tijd voor zijn ontwikkeling noodig; zelfs de Olifant wordt eerder zelfstandig.