Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/40

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Waarschijnlijk bereiken alleen de groote Hoefdieren en de groote Zee-Zoogdieren een hoogeren leeftijd dan de Mensch. In dezelfde mate waarin de ontwikkeling vertraagd is, neemt de leeftijd, dien het dier bereiken kan, toe, en in 't omgekeerde geval af. Reeds middelmatig groote Zoogdieren kunnen, als zij 10 jaar oud geworden zijn, voor hoog bedaagd doorgaan; andere zijn eerst op hun 20e jaar afgeleefd; de leeftijd van 30 jaar, waarop de Mensch, zooals bekend is, eerst zijne volledige ontwikkeling bereikt heeft, is bij de meeste overige Zoogdieren reeds een groote zeldzaamheid. Het afgeleefd zijn blijkt zoowel uit de vermindering der krachten als uit het grijs worden van 't haar, het onbruikbaar worden van het gebit en van de organen, die ter verdediging dienen, alsook uit het kleiner worden van bepaalde, als sieraad dienende lichaamsdeelen: zoo ontwikkelen oude Herten minder groote geweien dan dieren in de kracht van hun leven, bij Roofdieren worden de klauwen en de tanden stomp, de slagtanden van oude Olifanten breken af, of worden hol en vol barsten. Of de dood van de dieren, die in den natuurstaat leven, meestal door ziekte of meestal door ouderdomsverzwakking wordt veroorzaakt, kunnen wij niet beoordeelen. De zieke dieren trekken zich gewoonlijk in de meest verborgen schuilhoeken terug; gewonde of verminkte leden van een kudde gezellig levende dieren worden door hunne medeleden verlaten of zelfs uitgebannen; zij eindigen hun leven in 't verborgene.

Veilig kunnen wij aannemen, dat ook de Zoogdieren deels op jeugdigen, deels op lateren leeftijd sterven, dat hun geen beter lot beschoren is dan den Mensch. Ook onder hen komen besmettelijke ziekten voor, die een ontzaglijk aantal slachtoffers eischen: de Veldmuizen b.v., die zich in sommige jaren ongeloofelijk sterk vermenigvuldigen, sterven binnen een tijdsverloop van weinige weken in zoo grooten getale, dat de lijken dezer dieren, hoe klein zij ook zijn, door hun verrotting de lucht verpesten. Niet alleen bij kleine, ook bij grootere diersoorten zoowel bij die, welke onze bosschen en velden bevolken, als bij de bewoners van verafgelegen wildernissen — zijn epidemieën waargenomen.


De klasse der Zoogdieren neemt ook door de economische beteekenis van sommige harer leden de hoogste plaats in het dierenrijk in. Zij bevat de meeste en tevens de belangrijkste huisdieren. Niet minder dan dertien Zoogdiersoorten kunnen in den volsten zin van het woord als huisdieren gelden. Het zijn: Paard, Ezel, Zwijn, Kameel, Lama, Alpaka, Rendier, Schaap, Geit, Buffel, Yak, Zeboe, Rund, Konijn, Kat en Hond. Vooral het eerste en het laatste dezer dieren zijn den mensch naar lichaam en ziel onderworpen, zijn hem nuttig door hun spierkracht, hun moed, hun waakzaamheid, hun speurvermogen of hun gezelligheid. Soortgelijke diensten als deze beide bewijzen ook de meeste andere huisdieren den mensch gedurende hun leven.

Alle zijn hem echter nuttig na hun dood, en stemmen in dit opzicht met een zeer groot aantal wilde Zoogdieren overeen. Hun vleesch en hun vet dienen ons tot voedsel; hun huid levert wol, leder, pelterijen en andere grondstoffen voor kleedingstukken. Aan verschillende industrieën leveren de Zoogdieren grondstoffen: been, ivoor, hoorn, balein, haar, ja zelfs parfumerien (ambergrijs) en geneesmiddelen (muscus). Geen andere dierklasse kan bogen op zulk een veelzijdig nut: ook door haar beteekenis voor de huishouding van den mensch is onze klasse de eerste, de belangrijkste van alle. Zonder haar zou er van een gemakkelijk leven voor ons geen sprake kunnen zijn. Het nut, dat de Zoogdieren ons verschaffen, de trouwe hulp, die zij ons verleenen, de bondgenootschappen, die zij met ons aangaan, dit alles verlevendigt in ons het besef, dat het een zeer nauwe band is, die ons, de hoogst ontwikkelde leden der klasse, verbindt met de overige Zoogdieren, die wij ons juk laten torsen.




De klasse der Zoogdieren (zonder den Mensch) verdeelen wij in 15 orden. De 7 eerste (Apen, Halfapen, Vleermuizen, Roofdieren, Vinvoetigen, Insecteneters, Knaagdieren en Tandeloozen) hebben met de twee laatste (Buideldieren en Kloakdieren) het bezit van platte nagels (alleen bij de Apen en Halfapen) of van klauwen aan de vingers en teenen gemeen. Gezamenlijk zou men ze "Nagel-Zoogdieren" kunnen noemen. De Slurfdieren, Evenvingerigen en Onevenvingerigen worden vaak onder den naam van "Hoefdieren" samengevat; terwijl de Walvischachtigen en de Zeekoeien, die zoomin nagels als klauwen of hoeven hebben, gezamenlijk wel eens "Vischachtige Zoogdieren" worden genoemd.

Tot een meer natuurlijke rangschikking van de Zoogdier-orden geraakt men door de Kloakdieren en de Buideldieren ieder als een hoofdgroep te beschouwen en achteraan te plaatsen. De overige dertien orden vormen dan de eerste hoofdgroep.