Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/54

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

algemeene apenkooi speelt hij graag; hier is hij de onbeperkte heerscher; zelfs de Chimpanzee erkent zijn meerderheid zonder weerstand te bieden. Hij behandelt dezen echter eenigermate als een gelijke in rang, door bijna uitsluitend hem als speelnoot te kiezen, terwijl hij met het gemeene apenplebs geen complimenten maakt. Hij is gewoon zijn vriend te liefkozen, maar dit soms nog al onhandig. Eens pakte hij den Chimpanzee aan en beiden rolden, elkander steeds vasthoudend, over den grond. Een andere maal, toen de Chimpanzee hem ontweek, terwijl hij hem wilde grijpen, viel hij als een onbeholpen knaap met vooruitgestoken handen op den grond. Zijn gang heeft veel overeenkomst met dien van den Chimpanzee; even als deze steunt hij op de buitenste oppervlakte van de hand en op de zool van den voet, maar zet de voeten meer buitenwaarts. Hij steekt den kop omhoog met een voornaam air, alsof hij zich bewust is, tot een hoogeren stand te behooren. Zijn goede luim, die hem zelden verlaat, openbaart hij onder andere door den top van zijn roode tong te laten zien, die, scherp afstekend bij zijn glanzig zwart gelaat, den negerjongen-achtigen indruk, dien hij maakt, nog verhoogt.

“Menschachtig als zijn geheele wezen, is ook de wijze waarop hij leeft. Des morgens omstreeks 8 uur wordt hij wakker, gaat in zijn bed rechtop zitten, gaapt, bekrabt enkele deelen van zijn lichaam, en blijft slaapdronken en onverschillig, totdat hij zijne morgenmelk gekregen heeft, die hij gewoon is uit een glas te drinken. Geheel opgevroolijkt verlaat hij nu zijn bed, kijkt de kamer eens rond om te zien of er iets te vernielen valt, gluurt door het venster, begint in de handen te klappen, en, bij gebrek aan aangenamer gezelschap, met zijn oppasser te spelen. Altijd moet deze bij hem zijn. Geen oogenblik wil hij alleen gelaten worden. Met een schellen toon schreeuwt hij, als hij bemerkt, dat zijn oppasser weggegaan is. Om 9 uur wordt hij gewasschen; door een knorrend geluid geeft hij te kennen, dat dit hem goed bevalt. Daar hij met zijn oppasser samenleeft, houdt hij zijne maaltijden als deze. Tot ontbijt krijgt hij een paar Weener, Frankforter of Jauersche worsten of een boterham belegd met Hamburger rookvleesch, Berlijnsche kaas of iets anders. Daarbij drinkt hij bij voorkeur een glas wit bier; opmerkelijk is het na te gaan, hoe hij het glas dat voor zijn korte, dikke vingers te groot is, aanvat; het zou hem uit de handen vallen, als hij niet, behalve deze, den voet gebruikte om het vast te houden. Om 1 uur brengt de vrouw van den oppasser hem zijn middagmaal. Dit uur zag hij steeds vol verlangen te gemoet, toen hij gedurende den heeten zomer in mijn woning gehuisvest was. Als er gescheld werd, wenschte hij steeds de gangdeur zelf te openen. Als de vrouw binnenkomt, onderzoekt hij de spijzen, en snoept gaarne van die, waarvan hij het meest houdt. De gewone straf voor zijn snoepzucht is een draai om de ooren. Als hij dezen gekregen heeft, wacht hij, zonder zijne blikken van de spijzen af te wenden, zoet het begin van den maaltijd af. Eerst krijgt hij een kop bouillon. In een oogwenk is deze tot op den laatsten druppel geledigd. Dan komt er rijst, of groente, bij voorkeur aardappels, wortels of koolrapen met vleesch gekookt. De vrouw ziet er op toe, dat hij zich ordentelijk gedraagt, en werkelijk maakt hij reeds handig gebruik van een lepel. Zoodra hij meent, dat men niet naar hem kijkt, steekt hij zijn mond in den schotel. Na de genoemde gerechten heeft hij het liefst een stuk van een gebraden hoen. Als het eten gedaan is, wil hij rusten. Na een middagslaapje van een uur, soms anderhalf, is zijn lust om te spelen opnieuw ontwaakt. Des namiddags krijgt hij vruchten, ’s avonds melk of thee en een boterham. Om 9 uur gaat hij slapen. Hij ligt gewikkeld in een wollen deken op een matras. De oppasser blijft bij hem zitten, tot hij ingeslapen is, wat bij zijn groote behoefte aan slaap niet al te lang duurt. Liever slaapt hij in één bed met den oppasser, dien hij dan omvat houdt, en op wiens lichaam hij zijn kop laat rusten. Hij slaapt vast, den geheelen nacht door; gewoonlijk wordt hij vóór 8 uur ’s morgens niet wakker. — Hij bewoont een opzettelijk voor hem gebouwd glazen paleis, dat met een kleine palmenbroeikas in gemeenschap staat. Hierdoor wordt hem het gemis van de vochtige atmospheer van zijn tropisch vaderland zoo veel mogelijk vergoed. — Het krachtige gestel van onzen Gorilla geeft mij grond voor de hoop, dat hij bij deze behandeling nog lang het schoonste sieraad van ons aquarium zal blijven.” Deze wensch is ongelukkig niet verwezenlijkt: het hierbedoelde dier stierf den 13en November 1877 aan een vliegende tering, nadat het 9 maanden in Afrika en 15 maanden te Berlijn in gevangenschap had geleefd, en een langdurige kunstreis naar Engeland met goed gevolg had doorgestaan. — Een tweede Gorilla werd in den aanvang van het jaar 1883 door tusschenkomst van Pechuel-Loesche (die met Falkenstein in het Kongo-gebied een onderzoekingsreis had gedaan, en toen terugkeerde) levend naar Europa gebracht, en eveneens in het Berlijnsch aquarium opgenomen. Hij is er onder de hoede van den directeur Hermes 14 maanden in ’t leven gebleven: den 16en Maart overleed hij aan een soortgelijke ziekte als de eerste Mpoengoe. — Opmerkelijk is het, dat geen van beide dieren gedurende de zeereis naar Europa last gehad heeft van