jubelen, schreeuwen en het trommelen op oude boomstammen vermaakten. — Zij mijden zooveel mogelijk de woonplaatsen der menschen. Hunne woningen, eer nesten dan hutten, zijn op boomen gebouwd, in den regel niet hoog boven den grond. Zij buigen of knikken groote en kleine takken, zoodat deze naar beneden hangen, leggen ze kruiselings over elkander en plaatsen er tot steun een al of niet gevorkten tak onder. Soms vindt men een nest dicht bij het einde van een dikken, dicht bebladerden tak op 8 à 10 M. hoogte boven den grond; eenmaal heb ik er een gezien, dat minstens 13 M. hoog was. De Chimpanzees worden niet zelden door gebrek aan voedsel of dergelijke redenen tot verandering van woonplaats gedwongen. Meestal zagen wij ze op hoog gelegen gronden, waarschijnlijk omdat de lage landen, waar de inboorlingen ten behoeve van den landbouw dikwijls boomen omhakken, geen voldoende keuze aanbieden van plaatsen, die voor den nestbouw geschikt zijn. De nesten zijn gewoonlijk op eenigen afstand van elkander gelegen; zelden ziet men er twee of meer op denzelfden boom. Toch heeft men er eens vijf bijeen gevonden.” Van nesten, die uit kunstig saamgevlochten takken bestaan, zooals Du Chaillu ze beschrijft, wordt door geen anderen reiziger melding gemaakt.
Waarschijnlijk is het voedsel van den Chimpanzee van soortgelijken aard, als dat van den Gorilla. Vruchten, blad- en bloemknoppen, misschien ook wortels, zullen wel de voornaamste bestanddeelen van zijn maal uitmaken.
Van alle Anthropomorphe Apen komt de Chimpanzee tegenwoordig het veelvuldigst in de Europeesche diergaarden voor; ongelukkig kan men hem hier slechts bij uitzondering twee of drie jaar in ’t leven houden; terwijl hij, naar men verhaalt, in West-Afrika soms wel twintig jaar in gevangen staat geleefd heeft, en er groot en sterk geworden is. Tot dusver heeft men steeds opgemerkt, dat de gevangenen zachtaardig, verstandig en lieftallig waren. De Grandpré zag op een schip een wijfje van deze soort, dat buitengewoon leerzaam was, en allerlei werkzaamheden verrichtte. Buffon bezat in 1740 een Chimpanzee van ongeveer twee jaar oud. Deze had een droefgeestige en ernstige gelaatsuitdrukking; zijne bewegingen waren afgemeten en doordacht. Hij toonde geen enkele van de leelijke eigenschappen der Bavianen, maar was ook niet speelsch gelijk de Meerkatten. Hij gehoorzaamde dadelijk, als hem door woorden of gebaren iets bevolen werd, bood den bezoekers een arm aan, wandelde met hen rond, ging als een mensch aan tafel zitten, vouwde zijn servet open, wischte zich er de lippen mede af, at met lepel en vork, schonk zichzelf in, klonk met de dischgenooten, haalde een kopje en schoteltje, deed suiker in het kopje, goot er thee op, en liet dezen drank bekoelen, voordat hij er gebruik van maakte. Hij deed niemand kwaad, maar ging op bescheiden wijze met allen om, en was zeer blijde, als men hem liefkoosde.
Van het groot aantal berichten uit den lateren en allerlaatsten tijd over de levenswijze van den Chimpanzee moge de volgende mededeeling van den dierenschilder Friedrich Specht hier nog een plaats vinden: “De Chimpanzee in Nill’s diergaarde te Stuttgart kon echt lachen als een mensch. Dit komt mij zeer opmerkelijk voor, daar geen enkel ander dier in staat is om zijne vreugde door luid gelach te kennen te geven. Als ik dit aardige ventje onder de armen opnam, omhoog wierp en weder opving, scheen zijn pret geen einde te nemen, wat hij door luid gelach toonde. Hetzelfde gebeurde, als men hem onder de armen of aan de voetzolen kietelde. Eens had ik een stuk wit krijt bij mij, toen ik in zijn hok ging, en op zijn stoel ging zitten; dadelijk wipte hij op mijn knie, om hier af te wachten, wat er gebeuren zou. Ik gaf hem nu het krijt en teekende, terwijl ik zijn hand bestuurde, een Maraboe enz. op den wand van zijn hok; hij liet mij rustig begaan en keek oplettend naar ’t geen ik deed. Toen ik zijn hand losliet, sprong hij bliksemsnel op den grond, ging bij den wand staan, en schaduwde de figuren, tot groot vermaak van de toeschouwers, zoo snel, dat er weldra niets meer van te zien was. Hij had mijne handeling dus dadelijk begrepen.
“In den Zoölogischen tuin te Stuttgart zijn thans twee Chimpanzees, die zeer goed met elkander overweg kunnen; aan het wijfje, dat er reeds vroeger was, werd n.l. een mannetje tot gezelschap toegevoegd. De kist, waarin de pas aangekomen Aap zich bevond, werd gedurende den nacht geborgen in het warme en ruime hok van het wijfje; den volgenden dag zouden beiden aan elkander voorgesteld worden. Toen het mannetje uit zijn met watten gevoerde slaapstede trad, stonden de beide dieren een kort tijdje stom van verbazing op de achterpooten tegenover elkander, waarop een hartelijke omarming en een verscheidene malen herhaald gekus volgden. Nu haalde het wijfje haar deken, breidde deze op den bodem uit, ging er op zitten, en noodigde door gebaren het mannetje uit, om zijn gemak te nemen. Een aardig schouwspel leveren zij op, als zij gedurende den maaltijd tegenover elkander aan tafel zitten. Beide eten hunne brei met den lepel, en toonen niet den minsten broodnijd. Als de drink-