Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/58

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

bekers op tafel gezet worden, heeft het wijfje de gewoonte, den beker van het mannetje behoedzaam naar zich toe te halen, er uit te drinken, en hem daarna rustig weer op zijn plaats te zetten: — “mijn man moet zooveel niet drinken”, denkt zij misschien. Ook deze dieren geven, als zij spelen, hunne vreugde door gelach te kennen.”

*

De Orang-Oetan (Boschmensch, Pithecus satyrus), op Borneo Meias of Majas genoemd, is de merkwaardigste van de Aziatische Mensch-apen. Van zijne Afrikaansche verwanten onderscheidt hij zich door de veel langere armen, die tot aan de enkels reiken, en door den vorm van den kop, welks schedel naar boven kegel- of piramide-vormig uitloopt, terwijl het aangezicht in een sterk vooruitstekenden snuit eindigt. Hij heeft, evenals wij, 12 ribbendragende wervels (rugwervels), terwijl de Gorilla en de Chimpanzee er 13 hebben. De schedel van den jongen Orang-Oetan gelijkt zeer veel op dien van een kind; naarmate hij ouder wordt, treden bij hem de dierlijke eigenaardigheden hoe langer hoe meer op den voorgrond, zoodat zijn schedel dan nog maar weinig op dien van den jongen Aap gelijkt.

De groote mannelijke Orang-Oetan, die door Wallace gedood werd, had rechtopstaand een hoogte van 1.35 M.; wanneer de armen zijwaarts gestrekt werden, bedroeg de afstand tusschen de vingertoppen 2.4 M.; het aangezicht was 35 cM. breed, de omvang van het lichaam bedroeg 1.35 M. De romp heeft een sterk vooruitstekenden buik, en is, over de heupen gemeten, zeer breed. De hals is kort, en vertoont aan de voorzijde breede plooien, omdat het dier een grooten keelzak heeft, die met het strottenhoofd in gemeenschap staat en opgeblazen kan worden. De lange ledematen hebben lange handen en vingers. De platte nagel ontbreekt dikwijls aan den duim van de achterhand. De lippen zijn leelijk, daar zij niet slechts gerimpeld, maar bovendien sterk gezwollen zijn, en bol uitstaan. De neus is geheel plat gedrukt, en het neusmiddelschot steekt voorbij de neusvleugels uit; de ooren zijn klein, maar gelijken in vorm op die van den mensch. De hoektanden komen aan het gebit sterk uit; de onderkaak is langer dan de bovenkaak. De rug is weinig, de borst zeer dun behaard; des te langer en overvloediger is de beharing echter aan de zijden van den romp, van waar zij ver afhangt. Aan de wangen en de kin verlengen de haren zich dikwijls bij wijze van een baard. Aan de voorarmen zijn de haren naar boven, overal elders naar onderen gericht. Het gelaat en de handpalmen (voetzolen) zijn geheel, de borst en de rugzijde van de vingers bijna geheel onbehaard. Gewoonlijk is de beharing donker-roestrood, zeldzamer bruinachtig rood; de haren van rug en borst zijn donkerder, die van den baard echter lichter van kleur. De onbehaarde lichaamsdeelen zijn blauwachtig grijs, leikleurig of zwartachtig. De oude mannetjes verschillen van de wijfjes door meerdere grootte, dichtere beharing, langer haar en sterker ontwikkelden baard. Bovendien hebben zij eigenaardige opzwellingen of huidplooien aan de wangen, die zich halvemaanswijs van de oogen naar de ooren en naar de bovenkaak uitstrekken, en het aangezicht in ’t oogloopend leelijk maken. De jongere dieren zijn baardeloos, voor ’t overige echter sterker behaard en donkerder van kleur.

De Orang-Oetan is sedert overouden tijd bekend. Reeds bij Plinius kan men lezen, dat er op de Indische bergen “saters” zijn, “zeer boosaardige dieren met een menschengezicht, die soms rechtop, soms op alle vier gaan, en die, wegens hun vlugheid, alleen als zij oud of ziek zijn, gevangen kunnen worden.” Eeuwen achtereen werd de mededeeling van Plinius oververteld en telkens weer met bijvoegsels voorzien, die er allengs de beteekenis, van veranderden. In dit geval, en in vele andere, werd de kern van waarheid, die het oorspronkelijke bericht bevat, door tal van overdrijvingen nagenoeg onkenbaar. De naschrijvers verloren uit het oog, dat er van dieren sprake was; zij maakten er wilde menschen van. Hun invloed is nog duidelijk merkbaar in de, gedeeltelijk op eigen ervaringen berustende, mededeelingen van Bontius, die omstreeks het midden der 17e eeuw op Java als arts werkzaam was.

Hij zegt, dat hij eenige malen “boschmenschen” gezien heeft, zoowel mannetjes, als wijfjes; dat zij dikwijls rechtop loopen, en geheel dezelfde bewegingen maken als andere menschen. Van een der wijfjes verhaalt hij, dat zij zich schaamde, toen onbekende menschen haar aankeken; dat zij haar gelaat met de handen bedekte, zuchtte, weende, kortom allerlei menschelijke handelingen zoo verrichtte, dat haar alleen de spraak ontbrak, om geheel een mensch te zijn. De Javanen zeggen trouwens, dat de Apen wel degelijk spreken kunnen, maar zich houden, alsof zij stom zijn, omdat zij vreezen, dat men hen zal laten werken. Het spreekt wel van zelf, dat de Orang-Oetans in al deze verhalen rechtop gaan, hoewel er bijgevoegd wordt, “dat zij ook op vier pooten kunnen loopen.” Blijkbaar zijn de overdrijvingen, die in deze beschrijvingen voorkomen, een gevolg van de lichtgeloovigheid der reizigers, die alles navertellen, wat zij van de inboorlingen hooren.