de knokkels en niet op de zool, zooals wij. Hij kiest, naar het schijnt, altijd die boomen uit, welker takken zich uitstrekken tot aan die van de naastbij staande boomen. Als hij het punt bereikt heeft, dat voor den overgang het meest geschikt is, strekt hij zijne lange armen uit, grijpt met beide handen de twijgen die hij voor zich ziet, beproeft, naar het schijnt, hunne stevigheid, en gaat nu met een behoedzamen zwaai op een tak van den anderen boom over, waarlangs hij als op den vorigen voortschrijdt. Nooit doet hij hierbij een sprong; het schijnt, dat hij zich nooit haast, en toch weet hij zich bijna even snel voort te bewegen, als een mensch op den grond beneden hem loopen kan.” — Op een andere plaats van Wallace’s werk vindt men de verzekering, dat een Orang-Oetan in den tijd van een uur gemakkelijk 8 à 10 KM. kan afleggen. — “De lange, krachtige armen zijn voor het dier van ’t grootste nut, daar zij het in staat stellen, de hoogste boomen met gemak te beklimmen, vruchten en jonge bladen af te plukken van jonge twijgen, die zijn gewicht niet zouden kunnen dragen, en takken en gebladerte te verzamelen voor de vervaardiging van zijn nest.” Een door Wallace gewonde Orang-Oetan toonde aan zijn vervolger, op welke wijze het nest gebouwd wordt. “Toen ik geschoten had,” verhaalt Wallace, “klom de Majas hooger den boom op, en had weldra den hoogsten top bereikt. Hier begon hij dadelijk rondom zich de takken af te breken en ze in allerlei richtingen over elkander te leggen, ten einde zich een nest te bouwen. De plaats was hiervoor uitnemend geschikt. Merkwaardig snel strekte hij zijn eenigen, nog niet gewonden arm in alle richtingen uit, brak met het grootste gemak dikke takken af, en legde ze achter zich kruiselings over elkander, zoodat hij in weinige minuten een dichte massa van bladen en takken had bijeengebracht, die hem geheel aan mijne blikken onttrok. Een dergelijk nest gebruikt de Majas bijna iederen nacht om er in te slapen; dit wordt echter meestal lager op een kleinen boom gebouwd, in den regel niet hooger dan 8 à 15 M. boven den grond, waarschijnlijk omdat hij hier minder aan de werking van den wind is blootgesteld, dan boven in een hoogen boom. Men zegt, dat elke Majas iederen nacht een nieuw nest voor zich vervaardigt; dit komt mij echter zeer onwaarschijnlijk voor, daar dan de overblijfselen van die nesten veelvuldiger te vinden zouden zijn, dan werkelijk het geval is. De Dajaks beweren, dat de Aap zich, als het zeer nat weer is, met pandanus-bladen of zeer groote varens bedekt. Misschien heeft dit verhaal aanleiding gegeven tot het sprookje, dat hij in de boomen een hut bouwt.
“De Orang-Oetan verlaat zijn leger eerst, als de zon vrij hoog aan den hemel staat en den dauw op de bladen geheel heeft opgedroogd. Hij besteedt het geheele middeldeel van den dag aan zijn maaltijd, maar bezoekt zelden twee dagen achtereen denzelfden boom. Voor zoover mijn ervaring reikt, voedt hij zich bijna uitsluitend met vruchten, soms echter eet hij ook knoppen, bladen en jonge loten. Uiterst zelden daalt hij naar den grond af, waarschijnlijk alleen dan, als hij, door den honger gedreven, sappige loten zoekt bij den oever der rivier, of, bij zeer droog weder, water opspoort om zijn dorst te lesschen, dat hij in gewone omstandigheden, in voldoende hoeveelheid in de holten der bladen vindt. Slechts éénmaal zag ik twee halfvolwassen Orangs op den bodem, in een drogen kuil. Zij speelden met elkander, stonden rechtop en vatten elkander bij de armen aan. Nooit gaat deze Aap rechtop, tenzij wanneer hij zijne voorhanden gebruikt om zich aan hooger geplaatste takken vast te houden, of wanneer hij aangevallen wordt. Voorstellingen van Orangs, die steunend op een stok wandelen, zijn geheel denkbeeldig.
“Voor den mensch schijnen de Majas niet zeer bevreesd te zijn. Die, welke ik te zien kreeg, keken mij dikwijls eenige minuten lang aan, en schreden dan langzaam voort naar een naburigen boom. Menigmaal gebeurde het, dat ik, na er een gezien te hebben, duizend schreden of nog wel verder te loopen had om mijn geweer te halen; toch vond ik bijna altijd bij mijn terugkomst het dier op denzelfden boom of hoogstens honderd meter er van af. Ik zag nooit twee volwassen Orangs bij elkander, maar zoowel mannetjes als wijfjes worden soms vergezeld door half-volwassen jongen.
“De Dajaks zeggen, dat de Majas nooit door eenig dier in het woud wordt aangevallen. Zij maken echter melding van twee zelden voorkomende uitzonderingen op dezen regel. Een Dajaksch hoofd, die zijn geheele leven had doorgebracht in streken waar de Majas veelvuldig voorkomt, zeide mij: “Geen dier is sterk genoeg om den Majas kwaad te doen, het eenige, waarmede hij ooit in strijd geraakt, is de Krokodil. Als er geen vruchten zijn in het bosch, gaat hij voedsel zoeken op den oever der rivier, waar hij een menigte jonge loten vindt, waarvan hij houdt, en vruchten die aan den waterkant groeien. Dan beproeft soms een Krokodil hem beet te pakken, maar de Majas weet op zijn rug te komen, beukt hem met handen en voeten, scheurt hem vaneen en doodt hem.” Een ander opperhoofd vertelde mij: “De Majas heeft geen vijanden; geen dier durft hem aanvallen, behalve de Krokodil en de Python.