Zij sliep niet graag in het hiervoor bestemde hok, misschien vreesde zij, er in opgesloten te worden. Voordat zij slapen ging, schudde zij het hooi op, waar zij gewoonlijk op zat, en taste dit daar, waar het hoofd moest liggen, hooger op. Soms maakte zij zich een hoofdkussen van een doek, dien zij met hooi vulde, en waarvan zij vervolgens de vier slippen bijeenvoegde. Meestal lag zij op de zijde te slapen; steeds dekte zij zich met een kleed goed toe, daar zij zeer kouwelijk was. Nu en dan sliep zij overdag, maar nooit lang achtereen. Terwijl zij op den grond zat, omhing zij zich gewoonlijk (uit kouwelijkheid, hoewel het zeer warm weder was) met een dekkleed, dat soms over het hoofd werd geworpen, soms alleen om den hals of om het lijf werd geslagen, hetwelk een aardig schouwspel opleverde.
Eens stak zij, na gezien te hebben, hoe men met een sleutel het hangslot van haar halsband opende en weer sloot, in het sleutelgat een houtje, en onderzocht, na dit in alle richtingen rondgedraaid te hebben, of het slot open ging. — Toen men eens een van de ringen van haren ketting met een kram aan den vloer had vastgemaakt, om haar het hoog klimmen te beletten, trachtte zij den kram los te wrikken, door als hefboom een dikken, 12 cM. langen spijker te gebruiken, dien zij, men weet niet hoe, uit een zijplank van haar hok had getrokken. — Met de vingers of tanden maakte zij netjes allerlei knoopen uit een touw. — Vaak vermaakte zij zich met het schoonmaken van de laarzen of het losgespen van de schoenen harer bezoekers; zij deed dit zeer behendig. — Als zij door haar ketting verhinderd werd een op den grond liggend voorwerp met de voorhanden te grijpen, ging zij lang uit op den rug liggen, en bereikte haar doel niet zelden met de achterhanden (of voeten). Ook maakte zij soms voor dit doel gebruik van een langen doek, waarmede zij het begeerde voorwerp sloeg, totdat het binnen haar bereik lag.
Nooit hoorde men haar schreeuwen, behalve als zij alleen gelaten werd; zij begon dan met een geluid te maken, dat op het getjenk van een jongen Hond geleek, maar dat, als zij niet bevredigd werd, grof en schor werd, en nu het best te vergelijken was met het geknars van een groote houtzaag.
Dit merkwaardige dier, dat veel belangstelling wekte, werd ziek in November 1766 en bezweek den 22en Januari 1777 aan een uitterende ziekte. —
Dat de Orang-Oetan, wanneer hij zich iets in ’t hoofd gezet heeft, bewijzen geeft van groot overleg bij de keuze van de middelen om zijn doel te bereiken, blijkt uit eenige van de zoo even vermelde waarnemingen en ook uit tal van andere, waarvan wij alleen nog maar de volgende vermelden: F. Cuvier verhaalt, dat de Orang-Oetan van den Jardin des Plantes een knoop wist los te maken, waardoor een touw, waaraan hij slingerde, was ingekort, ten einde hem hierdoor het bereiken van den grendel eener deur te beletten. Hij had zulks eerst beproefd, door onder den knoop aan het touw te trekken; maar toen hij merkte, dat zijne lichaamszwaarte daartegen een beletsel was, klom hij boven den knoop om hem aldus los te maken. Vrolik teekent hierbij aan: “Iets dergelijks heb ik ook opgemerkt bij een der Orang-Oetans van den Zoologischen tuin te Amsterdam. Men had een openstaande deur vastgebonden met een touw dubbel toegeknoopt. Hetzij nu, dat de luchtstroom, door deze deur heengaande, hem hinderde, hetzij dat hij zich verveelde, hij wilde de deur sluiten; toen hij in zijne pogingen daartoe bemerkte, van welken aard de hinderpaal was, begon hij met één knoop los te maken, en voorts met de deur zoodanig te slingeren, dat ook de tweede knoop van zelf losliet.”
De nu volgende mededeelingen zijn te danken aan een scheepskapitein, Smit, die drie maanden lang een Orang-Oetan op zijn schip heeft gehad. Zoolang het schip zich in de Aziatische zeeën bevond, huisde de Aap op het dek, dat hij in ’t geheel niet verliet; alleen ’s nachts had hij behoefte aan een beschutte plaats om te slapen. Overdag was de Orang-Oetan buitengewoon vroolijk; hij speelde met andere, kleinere Apen, die zich aan boord bevonden, of maakte luchtreizen in het touwwerk. Hij scheen een bijzonder vermaak te vinden in het klimmen en gymnastiseeren; meermalen per dag hield hij zich er mede bezig, nu eens aan het eene, dan weer aan het andere touw. De behendigheid en spierkracht, welke hij bij deze bewegingen toonde, waren verbazingwekkend. De kapitein had eenige honderden kokosnoten medegenomen; de Aap kreeg er dagelijksch twee van. De buitengemeen taaie, ongeveer 5 cM. dikke bolster van de vrucht, die zelfs met een bijl moeilijk stuk gemaakt kan worden, wist onze Aap met zijn krachtig gebit behendig te verwijderen. Hij greep de noot bij het dunste einde, daar waar zich kleine verhevenheden bevinden, pakte het andere einde met de rechter achterhand en scheurde nu zonder fout den vezeligen bolster vaneen. Daarna boorde hij den vinger door een van de drie dunnere gedeelten, die op de binnenste laag van den bolster zichtbaar zijn, en door het daaronder liggend deel van de kern, dronk de