Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/66

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

organen; zij deed dit echter op een hoogst eigenaardige, muzikale wijze. Men zou haar geschreeuw zeer goed op noten kunnen zetten. Het begon met den grondtoon E, en steeg daarna bij halve tonen een volle octaaf hooger, langs de chromatische toonladder. De grondtoon bleef steeds hoorbaar en diende als voorslag voor elke volgende noot. Bij het opklimmen van de toonladder, volgden de afzonderlijke tonen al langzamer en langzamer op elkander, bij het afdalen echter sneller en ten slotte buitengewoon snel. Steeds was het slot een gillend geluid, dat met groote kracht uitgestooten werd. De regelmatigheid, snelheid en toonvastheid, waarmede het dier de toonladder uitschreeuwde, wekte algemeene bewondering.

Over de geestvermogens van de Langarmige apen zijn de meeningen der onderzoekers verdeeld. Duvaucel noemt den Siamang langzaam, dom, onbeholpen, lui, onhandig, vreesachtig en vervelend, onverschillig tegenover zijne verzorgers en onvatbaar voor welwillende, zoowel als voor wraakzuchtige gevoelens. Forbes daarentegen roemt zijne tembaarheid en aanhankelijkheid. “De aardige, liefkoozende wijze, waarop hij zijne lange armen om mijn hals, en zijn kop aan mijn borst legde, terwijl hij een tevreden gebrom liet hooren, zou iedereen bekoord hebben.” Ook Bennett oordeelt gunstiger. De Siamang, dien hij naar Europa trachtte over te brengen, verwierf zich in korten tijd de genegenheid van al zijne menschelijke reisgezellen. Tot droefheid van de bemanning stierf dit dier nog voor zijn aankomst in Engeland. Zelden ziet men de Gibbons in gevangen staat, zelfs in hun vaderland. Zij kunnen het verlies van hun vrijheid niet verdragen, verlangen steeds naar hunne bosschen en spelen terug, en worden voortdurend stiller en treuriger, totdat zij eindelijk bezwijken.




De tweede onderfamilie van de Smalneuzen wordt gevormd door de Honds-apen (Cynopithecini). Zij is gekenmerkt door het sterker vooruitsteken van den snuit, hetgeen vooral bij de lager ontwikkelde geslachten bemerkbaar is, de geringere lengte der armen, het veelvuldig aanwezig zijn van een staart en van wangzakken en het geregeld bezit van eeltplekken aan het zitvlak. Voor het overige is hun lichaamsbouw zeer ongelijk, want alle overgangen van de slanke gestalte der Slankapen tot den loggen lichaamsvorm der Hondskop-apen of Bavianen komen voor. Zij zijn verbreid over de tropische gewesten van de Oude Wereld, vooral over Indië van den Himalaja af, Achter-Indië, Cochin-China, den Maleischen Archipel, het zuiden van Arabië en geheel Afrika met uitzondering van de oostelijke gedeelten van de Sahara. Zij behooren tot de levendigste en bewegelijkste vertegenwoordigers der Apenorde, zijn schrander, doch voor ’t meerendeel ook boosaardig en onwelvoeglijk. Bijna overal waar zij voorkomen, worden zij in meerdere of mindere mate schadelijk, daar zij plantages en tuinen op de onbeschaamdste wijze plunderen. Hier en daar worden zij ook wegens hunne boosaardige hartstochten gevreesd. Bij eenige volken hebben zij zich de grootste verachting op den hals gehaald; bij andere staan sommige dezer dieren in een reuk van heiligheid.

Het eerste geslacht, dat wij behandelen zullen, omvat de Slankapen (Semnopithecus). Deze zijn, zooals hun naam aangeeft, slanke en rank gebouwde Apen met lange, fijne ledematen en zeer langen staart, kleinen, hoogen kop, onbehaard gelaat en korten snuit met kleine wangzakken. Hunne eeltplekken zijn zeer klein. Aan den achtersten waren kies hebben zij vijf knobbels; hun geraamte herinnert door zijne slanke vormen aan dat van de Gibbons. Aan de handen komen lange vingers voor, maar de duim van de voorhanden is klein, bij sommige zelfs rudimentair, voor ’t grijpen ongeschikt, geworden. Hun beharing is bewonderenswaardig fijn, hun kleur steeds bevallig, bij één soort hoogst eigenaardig; dikwijls zijn de kopharen buitengewoon lang.

Het vastland van Zuid-Azië, Ceylon en de eilanden van den Indischen archipel vormen het vaderland van de Slankapen. Hier leven zij, tot meer of minder talrijke troepen vereenigd in de bosschen, liefst in de nabijheid van rivieroevers, niet minder gaarne echter in de nabijheid van dorpen en plantages. Zij leiden, daar zij bijna overal ontzien worden, een zeer genoeglijk leven.

Van de Slankapen verdient in de eerste plaats vermeld te worden de Hoelman, {[sp|Hamman}} of {[sp|Hanoeman}}, zooals de Hindoes hem noemen, de Heilige Aap der Indiërs (Semnopithecus entellus). Hij is de veelvuldigst voorkomende Aap van Voor-Indië en over de meeste districten van den Himalaja tot Kaap Comorin verbreid. Zijn verbreidingsgebied wordt voortdurend grooter, daar men hem niet slechts beschermt en verwent, maar ook in sommige gewesten invoert. Hij bereikt een lengte van 1.57 à 1.72 M., waarvan 97 cM. op den in een haarkwast eindigenden staart komen. Hij is geelachtig wit behaard, de naakte lichaamsdeelen zijn donker violet. Het gelaat, de handen en voeten, voor zoover zij behaard